Pierre Carrière

Concept & copy, schrijver

Tag: tuinvogels

Tuinbezoekers: de Appelvink

appelvink2Wanneer het lang en streng wintert, komen er vogelsoorten op de voedertafel die je tijdens een normale, Hollandse kwakkelwinter niet ziet. Schuwe vogels, die halfdood van de honger moeten zijn voordat ze zich aan de mens durven tonen. Ook dit jaar was het qua winter weer Siberisch in Nederland. En dus ook in het Stadspark. Zo kwam het dat er op een doordeweekse middag zomaar een Appelvink landde op mijn voerhuisje.

De Appelvink is zeldzaam. Niet omdat er nu zo heel weinig van voorkomen in Nederland, maar omdat deze vogel een verborgen leven leidt. ’s Zomers bovenin hoge bomen, verscholen in het bladerdek. En in de winter scharrelt hij onzichtbaar tussen de dorre bladeren die de kleur hebben van zijn verendek. Het liefst in uitgestrekte bossen waar geen mens komt.

Het was meer dan vijftien jaar geleden dat ik het beestje had gezien. Enthousiasme gierde door mijn lijf. Dat is wat een zeldzame waarneming doet met de vogelliefhebber. Enerzijds de blijheid van “wat heb ik jou lang niet gezien!”, anderzijds die wat dubieuze trots “dat ik iets zie wat bijna niemand anders ziet.” Een zeldzame waarneming of vondst werkt direct op het ego. Maar los daarvan: de Appelvink is een fascinerende vogel om te zien. Een wonder van de evolutie. Dat komt met name door zijn enorme, kegelvormige snavel. Zijn bijnamen Kersenkraker en Steenkraker geven aan waartoe hij in staat is met dat gereedschap. De rest van zijn postuur is ook dat van een krachtpatser. Met zijn stierennek en gespierde kaken lijkt hij zo uit de sportschool te zijn weggevlogen.

De Appelvink – een mannetje –  inspecteerde kort mijn voedertafel en was binnen vijf seconden weer weg. De dagen erna zag ik hem niet meer terug. Zou het weer vijftien jaar duren? Die kans was groot. Maar nee hoor, het leven spotte enkele weken later weer eens met zijn wetten. Op een ochtend van dit winterse voorjaar zaten zes vogels in de kale beuk aan de rand van mijn tuin. Loom keken ze me aan. Bijna ongeïnteresseerd vermorzelden ze af en toe een beukenknop. Ze bleven zelfs zitten toen ik mijn verrekijker ophaalde uit mijn tuinhuis. Zeven keer uitvergroot genoot ik minutenlang van zes Appelvinken, drie mannetjes, drie vrouwtjes. Het leven is een feest als de slingers voor je neus worden opgehangen.

Dit verhaaltje verscheen eerder in het verenigingsblad van Tuin- en Recreatievereniging Stadspark.

De Tuinhuismerel

Het is nu al het derde voorjaar dat hij wat om me heen keutelt in de tuin: de Tuinhuismerel. Tenminste, ik ga ervan uit dat het steeds dezelfde vogel is. En dat ik dus niet drie zeldzaam tamme merels in mijn tuin heb gehad.

Het is een mannetje: zwart met een knalgele snavel en oogring. Hij volgt me overal. Als ik ergens bezig ben in de tuin, is hij op een paar meter afstand ook druk bezig. Meestal met het omwroeten van de grond, op zoek naar eten. Torretjes, wormpjes, pissebedden, slakjes: alles verdwijnt in die licht gekromde snavel. Zit ik even met een bakkie koffie en een broodje op het bankje tegen de schuur, zit-ie zo aan mijn voeten. Laatst at hij zelfs als een volleerde huismus stukjes brood die ik hem toewierp. En als ik met de laptop op schoot aan het werk ben op de veranda, loopt hij daar weer voor mijn neus. Af en toe maakt hij zachte geluidjes; een murmelende zang vanuit de keel met zijn snavel dicht. Vaak houdt hij zijn kopje scheef als hij me aankijkt. Soms zet hij zijn veren op of laat hij zijn vleugels tot op de grond hangen. Ik leg het allemaal maar uit als tekenen van affectie. Zo voelt het in elk geval.

Als ik met vrouw en kinders in het tuinhuis ben, laat hij zich nauwelijks zien. Te druk denk ik. Vanaf de randen van de tuin komt-ie af en toe de boel gadeslaan. Zijn favoriete uitkijkplekken zijn op de strak geschoren coniferenhaag  van de buurman en op een zijtak van de grote spar aan de andere tuinrand.  ‘Kijk pap, de Tuinhuismerel!’ roepen mijn jongens dan enthousiast. Wat ze ook proberen, echt dichtbij komt het beestje niet. En als zij richting de Tuinhuismerel gaan, vliegt hij weg. Kennelijk kan mijn aanwezigheid hem er niet van overtuigen dat mijn kroost goed volk is.

De afgelopen drie zomers heeft hij ook gebroed in onze tuin. Vorig jaar heeft hij zelfs drie nesten gebouwd; in de coniferenhaag, in de esdoorn en in de blauwe regen. Na het derde broedsel was hij een vliegend vod. Mager, verfomfaaid en op zijn buik helemaal kaal. Merelnesten zijn met hun takjes, gedroogd zand en stukken plastic nou niet echt zacht qua broedcomfort. Als ik in de tuin was, hielp ik hem met het wegjagen van kraaien, eksters, gaaien en verwilderde huiskatten. Hij hoefde maar alarm te slaan en ik kwam eraan. Maar ja, ik ben er niet elke dag. En zo kwam het dat er geen enkele van zijn jonkies  groot werd. De pechvogel.

Deze winter heeft hij zich flink tegoed gedaan aan het vele vogelvoer. Ik strooide het in het huisje en op de daarvoor bedoelde plankjes, maar speciaal voor hem ook op de grond. Daar voelt hij zich toch het beste thuis als het om eten gaat. Hij ziet er op dit moment prachtig uit; met een glanzend zwart verendek. Helemaal klaar om weer een vrouwtje te verleiden. Vanaf dat moment heeft-ie enkele maanden geen oog meer voor mij. Maar dat pakken we in de herfst wel weer op. Ik hoop eerst maar eens dat hij dit jaar niet zoveel jongen hoeft te verliezen. De bikkel.

Dit verhaaltje verscheen in april 2012 op de website en in het verenigingsblad van Tuin en Recreatievereniging Stadspark.

Tijd om uit te vliegen

Het oorverdovende gepiep dat de laatste dagen uit het nestkastje aan de berk kwam, heeft zich vanochtend verspreid over onze hele tuin. Een stuk of acht koolmeesjes dartelen in de bomen en struiken. Eentje zit op de lat van ons voetbaldoeltje. Een ander wipt nieuwsgierig de coniferenhaag binnen, normaal toch het domein van de heggenmussen en merels. Maar ja, op deze leeftijd trek je je niks aan van conventies: alles moet onderzocht worden.

Het is zondagochtend en we bekijken ze vanachter de ontbijttafel, nog enigszins duf van de afgelopen nacht. Wat slapen we hier toch altijd vast en lang! De meesjes hebben allemaal een vaal verendek. De jongen omdat ze nog ‘op kleur moeten komen’, de ouders omdat ze afgepeigerd zijn na weken hard werken: nest bouwen, broeden en wekenlang snavels vol voer aandragen voor hun kroost. Druk piepend en klapperend met de vleugels laten de jongen zich nog steeds voeren. Ze zijn dan wel het huis uit maar kunnen nog niet op eigen benen staan. Het zijn net studenten die nog een toelage van hun ouders krijgen en hun vuile was bij moeders dumpen. En en passant nog even bij-eten als ze er toch zijn.

Het vliegen van de jonkies gaat al aardig, maar het landen is nog lastig. Regelmatig tuimelt er eentje een paar takken omlaag. Ik probeer ze te vangen met mijn fotocamera, maar daar zijn ze veel te bewegelijk voor. Het levert slechts vage, onscherpe plaatjes op. Nou had ik mijn camera met telelens ook niet meegenomen naar het tuinhuis voor de koolmeesjes. Nee, die had ik speciaal in mijn tas gestopt voor een andere vogelsoort. De twee kleine grote bonte spechten achter ons huis staan namelijk ook op het punt van uitvliegen. Met de verrekijker had ik ze de afgelopen tijd al gezien vanuit ons keukenraam. Schreeuwend staken ze om de beurt hun nieuwsgierige kopjes uit de nestholte, af en toe met hun rode kuif fier omhoog. Dat moest wel eigenwijze plaatjes opleveren!

Na het ontbijt loop ik dan ook met de camera om mijn nek door het tuinhek. De mezenfamilie verkent inmiddels de tuin van de buren. Drie keer links en ik sta voor de spechtenboom. Als ik aankom, hangt er alweer een jong met zijn koppie uit de nestopening, zes meter boven de grond. Hij kijkt me brutaal aan; het kopje af en toe scheef. En hij gaat gewoon door met schreeuwen. ‘Ik heb honger!’ roept hij in spechtentaal. Ik vraag me af of vogels ook dialecten hebben. Zou een Groningse specht anders klinken dan een Limburgse, of een Nederlandse anders dan een Zwitserse? Maar eens op googelen. Af en toe verdwijnt het druktemakertje en na wat geruzie in de boom komt broer of zus tevoorschijn. Ik stel mijn camera scherp en schiet wat foto’s. Dan begint het wachten op vader of moeder specht. Na een kwartiertje is het zover: een oudervogel landt tegen de boom. Het is vader, te herkennen aan de rode vlek op zijn achterhoofd. Steunend op zijn staart – en zijn snavel vol insecten – schuifelt hij langs de stam naar het nesthol. Een jong kukelt er luid kraaiend bijna uit van opwinding: eindelijk eten! Ik schiet achter elkaar een stuk of tien foto’s totdat pa weer wegvliegt. Missie geslaagd!

Eenmaal terug op de veranda van mijn huisje, bekijk ik de oogst. Er zitten enkele mooie foto’s bij met als hoogtepunt de foto van de ‘voeroverdracht’. Het was ook nu weer een prachtig vogelweekend op TRV Stadspark. Alleen jammer dat het zaterdagavond te donker was om de roepende jonge bosuil te kunnen zien. We stonden met z’n vieren onder de boom aan de Campinglaan waarin hij om eten zat te roepen op z’n bosuils. Hij was echter niet te ontdekken in het zwarte gebladerte. Maar goed, waarom zou een waarneming met de oren minder zijn dan die met de ogen?

Deze column staat ook in het Groene Blaadje van juni 2011, het verenigingsblad van Tuin- en Recreatievereniging Stadspark: http://www.trvstadspark.nl

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén