Concept & copy, schrijver

Tag: stadspark Pagina 2 van 3

Tijd om uit te vliegen

Het oorverdovende gepiep dat de laatste dagen uit het nestkastje aan de berk kwam, heeft zich vanochtend verspreid over onze hele tuin. Een stuk of acht koolmeesjes dartelen in de bomen en struiken. Eentje zit op de lat van ons voetbaldoeltje. Een ander wipt nieuwsgierig de coniferenhaag binnen, normaal toch het domein van de heggenmussen en merels. Maar ja, op deze leeftijd trek je je niks aan van conventies: alles moet onderzocht worden.

Het is zondagochtend en we bekijken ze vanachter de ontbijttafel, nog enigszins duf van de afgelopen nacht. Wat slapen we hier toch altijd vast en lang! De meesjes hebben allemaal een vaal verendek. De jongen omdat ze nog ‘op kleur moeten komen’, de ouders omdat ze afgepeigerd zijn na weken hard werken: nest bouwen, broeden en wekenlang snavels vol voer aandragen voor hun kroost. Druk piepend en klapperend met de vleugels laten de jongen zich nog steeds voeren. Ze zijn dan wel het huis uit maar kunnen nog niet op eigen benen staan. Het zijn net studenten die nog een toelage van hun ouders krijgen en hun vuile was bij moeders dumpen. En en passant nog even bij-eten als ze er toch zijn.

Het vliegen van de jonkies gaat al aardig, maar het landen is nog lastig. Regelmatig tuimelt er eentje een paar takken omlaag. Ik probeer ze te vangen met mijn fotocamera, maar daar zijn ze veel te bewegelijk voor. Het levert slechts vage, onscherpe plaatjes op. Nou had ik mijn camera met telelens ook niet meegenomen naar het tuinhuis voor de koolmeesjes. Nee, die had ik speciaal in mijn tas gestopt voor een andere vogelsoort. De twee kleine grote bonte spechten achter ons huis staan namelijk ook op het punt van uitvliegen. Met de verrekijker had ik ze de afgelopen tijd al gezien vanuit ons keukenraam. Schreeuwend staken ze om de beurt hun nieuwsgierige kopjes uit de nestholte, af en toe met hun rode kuif fier omhoog. Dat moest wel eigenwijze plaatjes opleveren!

Na het ontbijt loop ik dan ook met de camera om mijn nek door het tuinhek. De mezenfamilie verkent inmiddels de tuin van de buren. Drie keer links en ik sta voor de spechtenboom. Als ik aankom, hangt er alweer een jong met zijn koppie uit de nestopening, zes meter boven de grond. Hij kijkt me brutaal aan; het kopje af en toe scheef. En hij gaat gewoon door met schreeuwen. ‘Ik heb honger!’ roept hij in spechtentaal. Ik vraag me af of vogels ook dialecten hebben. Zou een Groningse specht anders klinken dan een Limburgse, of een Nederlandse anders dan een Zwitserse? Maar eens op googelen. Af en toe verdwijnt het druktemakertje en na wat geruzie in de boom komt broer of zus tevoorschijn. Ik stel mijn camera scherp en schiet wat foto’s. Dan begint het wachten op vader of moeder specht. Na een kwartiertje is het zover: een oudervogel landt tegen de boom. Het is vader, te herkennen aan de rode vlek op zijn achterhoofd. Steunend op zijn staart – en zijn snavel vol insecten – schuifelt hij langs de stam naar het nesthol. Een jong kukelt er luid kraaiend bijna uit van opwinding: eindelijk eten! Ik schiet achter elkaar een stuk of tien foto’s totdat pa weer wegvliegt. Missie geslaagd!

Eenmaal terug op de veranda van mijn huisje, bekijk ik de oogst. Er zitten enkele mooie foto’s bij met als hoogtepunt de foto van de ‘voeroverdracht’. Het was ook nu weer een prachtig vogelweekend op TRV Stadspark. Alleen jammer dat het zaterdagavond te donker was om de roepende jonge bosuil te kunnen zien. We stonden met z’n vieren onder de boom aan de Campinglaan waarin hij om eten zat te roepen op z’n bosuils. Hij was echter niet te ontdekken in het zwarte gebladerte. Maar goed, waarom zou een waarneming met de oren minder zijn dan die met de ogen?

Deze column staat ook in het Groene Blaadje van juni 2011, het verenigingsblad van Tuin- en Recreatievereniging Stadspark: http://www.trvstadspark.nl

Kantoor met veranda

Toen ik in de zomer van 2008 freelance schrijver werd, bleek thuiswerken als snel lastig met twee jonge kinderen en een eveneens thuiswerkende vriendin. Dus ging ik op zoek naar een werkruimte. Niet te duur maar wel inspirerend. En op fietsafstand van huis. 

Eerst dacht ik aan een atelier in zo’n gezellig creatief verzamelpand als De Puddingfabriek of Het Paleis in Groningen. Maar goed, dan had ik een huis, een tuinhuis op de Piccardthof én een kantoor moeten betalen en onderhouden. Dat vond ik teveel van het goede. Bovendien, eigenlijk werkte ik het liefst in mijn tuinhuisje. Daar had ik immers ook mijn eerste boek Bermspinsels bedacht en geschreven. Maar ja, wel in de zomer. ’s Winters was er niet te wezen in dat houten hutje! Toen viel het kwartje: als ik nou eens op zoek ga naar een tuinhuis waar wél 365 dagen per jaar te werken is…

Zo kwam ik uit op een huisje op Tuin- en Recreatie Vereniging Stadspark. Een kantoor met veranda. Waar nul personeelsleden rondlopen, maar wel drie goudvissen rondzwemmen. Waar het uitzicht vanachter mijn bureau geen systeemwand of plastic ficus is, maar een uitgestrekte tuin. Met echte bloemen, vlinders, kikkers en vogels enzo.

Bij en in de twee vijvertjes zitten naast bruine ook groene kikkers!

De vijf vlinderstruiken in mijn tuin doen hun naam eer aan.

                                 Ik kan hier het hele jaar door werken. Door de stenen wanden en het dubbele glas is het huisje heel wat beter geisoleerd dan mijn voormalige vurenhouten stulp. Omdat ik hier stroom heb, kan  ’s winters een straalkachel zijn 2000 watt aan hitte door het huis laten blazen. En ik kan mijn laptop inpluggen, ook handig.

Mijn bureau annex vergadertafel staat voor het raam zodat ik de tuin en zijn bewoners goed in de gaten kan houden.

Een net kantoor heeft natuurlijk een kitchenette. Piet Hein Eek, eat your heart out!

                                 Hier kan ik in alle rust werken aan teksten. Hier kan ik me urenlang concentreren op reclameopdrachten als folders, brochures of een internetsite. Maar hier schreef ik ook mijn tweede boek Spaak. En ben ik ook al begonnen aan mijn derde boek. In de mooi-weer-seizoenen functioneert mijn kantoor eveneens als recreatiewoning voor het hele gezin. Een heerlijke plek om een weekendje te slapen, met zijn twee slaapkamers en grasmatje om te voetballen, badmintonnen of te luieren.

Links van de servieskast zijn de deuren naar beide slaapkamers.

Deze lavendelbloemetjes hangen inmiddels gedroogd in de badkamer...

                                      Allemaal leuk en aardig natuurlijk; maar door de week wordt hier dus gewoon hard gewerkt. Hoewel dat soms ook in de tuin is… Want hoewel de inspiratie hier voortdurend als vanzelf opborrelt, is er soms ook de afleiding van het in de zon liggen, grasmaaien of wat in een perkje pielen. Kortom, ook in het kantoor van mijn dromen ben ik alleen productief als mijn zelfdiscipline naar behoren functioneert ;-).

Als er een deadline heel dicht nadert, wordt er gewoon overgewerkt op kantoor Stadspark!

 In de categorie ‘Columns’ op deze blogsite, kun je meer lezen over het reilen en zeilen rond mijn tuinhuis. Deze tekstjes verschijnen regelmatig in het verenigingsblad en op de website van TRV Stadspark.

Winterblues

Sinds ik tuinhuisbezitter ben, kijk ik anders tegen de winter aan. Vroeger vond ik het wel een fijn seizoen. Het is de periode van naar binnen keren, na een zomer vol externe prikkels als terrasjes, Hoornse Plas, tuinfeesten en vakantie in het buitenland. Het seizoen van uitrusten en opladen. Beetje voor de haard hangen, relaxed met een boek op de bank en soms gewoon lekker vervelen. Hoewel ik weet dat ik het leven moet nemen zoals het komt, dat ik niet te ver vooruit moet kijken, lukt het me in de winter met steeds meer moeite en tegenzin. Op 1 januari, wanneer ik de kerstballen in de dozen stop, schreeuwt alles in me om het voorjaar!

Nou moet ik toegeven dat deze winter wel wat heeft. Het is tenminste winter. De afgelopen jaren was het een geruisloze verlenging van de herfst. Dan vierden we oud en nieuw in de motregen, met 12 graden boven nul op de thermometer. Dit jaar hadden we een witte kerst, haalde ik de slee weer eens uit de kelder en hield ik sneeuwbalgevechten met mijn kinderen. Ook mijn tuin in het Stadspark zag er prachtig wit uit. Ik stookte de houtkachel op en genoot van de mezen, boomklevers en spechten op de vetbollen. En van de houtsnip die regelmatig het slootje langs mijn tuin bezocht. Maar na twee maanden kou ben ik er echt wel klaar mee. Niet eens omdat de winter me zo tegenstaat, maar omdat het voorjaar zo fantastisch is in de tuin! Ik wil mijn pasgemaaide gras weer ruiken. De sensatie beleven van die lichtgroene waas in de bomen en struiken. De voorjaarszon op mijn gezicht voelen. De jonge koolmeesjes horen piepen in het nestkastje. En de eerste bloemen van de Blauwe Regen begroeten.

Het mooie van een tuinhuis is dat ik de seizoenen weer zo intens beleef. In de stad verandert er niet zoveel. Met al die stenen van stoepen, straten en gebouwen gebeurt door het jaar heen helemaal niks. Hoe anders is dat in de tuin. Die verandert voortdurend van kleur en geur. Mijn geduld is ook deze winter weer flink op de proef gesteld. Maar er gloort hoop. Onder de spar aan de rand van het gazon is een groen eilandje ontstaan in de witte sneeuw. De knoppen in de rododendrons zijn flink gegroeid zag ik laatst. Kom maar op met die krokussen en sneeuwklokjes; ik ben er klaar voor!

Weer thuis

Ik heb tijdens mijn vakantie het tuinhuis eigenlijk meer gemist dan mijn woonhuis in de stad. Dat komt waarschijnlijk omdat mijn stadshuis automatisch verbonden is met veel dingen die moeten. De was, rekeningen betalen, op tijd op, stofzuigen, noem maar op. In het tuinhuis hoeft niks. Het tuinhuis is niet die drukke duiventil waar schoolgaande kinderen en werkende ouders in en uit vliegen. Het is die plek waar ik rustig wat kan rondscharrelen, niet gehinderd door agenda en ‘to-do-list’.

Net een dag terug van een Grieks eiland, zwaai ik de houten tuindeur open. Ik word opnieuw besprongen door vakantiegevoel. Altijd beschikbaar vakantiegevoel, niet te vergelijken met die kortstondige, oppervlakkige vakantieliefde van Corfu. Overal is te zien dat ik bijna drie weken niet ‘op de tuin’ ben geweest. Het gras is hoog, op sommige plekken nog veel hoger. Ik heb meerdere grassoorten op mijn gazon, dat is wel duidelijk. Ook klaver en paardensla hebben hun plek op mijn grasmat veroverd. In de borders staat het onkruid tot mijn knieën. Hoewel, onkruid; ik zie leuke roze bloemetjes en addertong met mooie lila toortsen. En ook het geel van een paardenbloem is eigenlijk prachtig. De vlinderstruiken zijn halverwege de bloei. De uitgebloeide, roestbruine bloemkegels contrasteren met de witte en paarse bloemen die net uit zijn. De bloemetjes van de oleander plakken slap en verregend aan de terrastegels. Half augustus, we zijn in de voor-herfst beland.

Als ik de glazen pui openschuif, ruik ik het huis. Een snufje vochtig, rottend vloerplankhout, een vleugje riool uit de badkamer, een mespuntje wierrook en het merendeel ondefinieerbaar maar geheel eigen tuinhuislucht. Ik loop door naar de slaapkamers om de ramen open te zetten. Even doortochten. Het stikt in huis van de Grote Trilspinnen, in alle formaten. Onder hun webben – tussen stoelpoten, tussen muur en radiator of in een hoekje van de slaapkamer –liggen tientallen leeggezogen pissebedden. Na het grasmaaien maar even met de bezem in de weer, die ik tevens als ragebol zal gebruiken. En dan maar eens onkruid wieden en de blauwe regen en clematis terugsnoeien. De uitlopers in de coniferenhaag afknippen. Heerlijk, de vakantie is gelukkig voorbij!

Pagina 2 van 3

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén