Pierre Carrière

Concept & copy, schrijver

Tag: stadspark Page 1 of 2

De boomklever

boomklever-07Sommige vogelnamen zijn onverklaarbaar. Neem nou de bosruiter. Ik heb dat beestje nog nooit op een paard zien zitten. En ook nog nooit aangetroffen in het bos; zijn biotoop bestaat uit open watervlaktes, moerassen en heidevelden. Geen boom te bekennen. Maar hoe anders is dat bij de boomklever. Een vogel die als geen ander zijn naam eer aandoet. Als er nu één vogel is die vastgekleefd lijkt te zitten aan bomen, dan is hij het wel. In tegenstelling tot die andere bomenbedwingers – de spechten – beweegt hij zich zelfs van boven naar beneden langs de stam. Gewoon, met zijn kop omlaag.

De boomklever heeft een voorkeur voor oude beuken met zijn heerlijke nootjes. Vandaar dat hij regelmatig mijn tuin bezoekt in het Stadspark; dat staat vol met deze reuzen. Hij fladdert en kleeft hier het hele jaar door, want hij broedt graag in holtes van diezelfde bomen. De boomklever heeft verschillende noten op zijn zang. Het leukste geluid dat hij produceert, is een gefluit dat precies lijkt op dat van bouwvakkers en stratenmakers wanneer zij gepasseerd worden door een leuke dame. Fiet-fiew! Zoiets, je kent het wel. Met name in het voorjaar klinkt dat verleidelijke geluid door het hele park.

Hoewel de boomklever dus de bouwvakker van het bos is, heeft hij andere bijnamen. Spechtmees of Blauwspecht zijn wellicht de bekendste. Maar de ‘IJsvogel van het bos’ vind ik persoonlijk de mooiste. Die naam dankt hij aan zijn kleuren. Aan zijn blauwgrijze rug en roze-oranje borst, net als bij de ijsvogel. Maar dan wat minder fel. Los van zijn kleuren, is ook zijn vorm bijzonder. Het is een opvallend gestroomlijnd beestje. Wat dat betreft zouden namen als de ‘Torpedo van de tuin’ of de ‘Zetpil van de voedertafel’ hem ook niet misstaan.

Ook de komende winter verwacht ik hem weer veelvuldig op het wintervoer. Hij houdt van korte bezoekjes. Hij komt aanvliegen, pikt het liefst een pinda of zonnebloempit mee, en verdwijnt dan weer. Snel daarna herhaalt zich dit ritueel en dat kan zo uren doorgaan. En ergens in het bos of park, raakt een holte van een beuk steeds voller. De boomklever is de eekhoorn onder de vogels.

Dit verhaaltje verscheen in september 2013 in het verenigingsblad van Tuin- en Recreatievereniging Stadspark.

Tuinbezoekers: de Appelvink

appelvink2Wanneer het lang en streng wintert, komen er vogelsoorten op de voedertafel die je tijdens een normale, Hollandse kwakkelwinter niet ziet. Schuwe vogels, die halfdood van de honger moeten zijn voordat ze zich aan de mens durven tonen. Ook dit jaar was het qua winter weer Siberisch in Nederland. En dus ook in het Stadspark. Zo kwam het dat er op een doordeweekse middag zomaar een Appelvink landde op mijn voerhuisje.

De Appelvink is zeldzaam. Niet omdat er nu zo heel weinig van voorkomen in Nederland, maar omdat deze vogel een verborgen leven leidt. ’s Zomers bovenin hoge bomen, verscholen in het bladerdek. En in de winter scharrelt hij onzichtbaar tussen de dorre bladeren die de kleur hebben van zijn verendek. Het liefst in uitgestrekte bossen waar geen mens komt.

Het was meer dan vijftien jaar geleden dat ik het beestje had gezien. Enthousiasme gierde door mijn lijf. Dat is wat een zeldzame waarneming doet met de vogelliefhebber. Enerzijds de blijheid van “wat heb ik jou lang niet gezien!”, anderzijds die wat dubieuze trots “dat ik iets zie wat bijna niemand anders ziet.” Een zeldzame waarneming of vondst werkt direct op het ego. Maar los daarvan: de Appelvink is een fascinerende vogel om te zien. Een wonder van de evolutie. Dat komt met name door zijn enorme, kegelvormige snavel. Zijn bijnamen Kersenkraker en Steenkraker geven aan waartoe hij in staat is met dat gereedschap. De rest van zijn postuur is ook dat van een krachtpatser. Met zijn stierennek en gespierde kaken lijkt hij zo uit de sportschool te zijn weggevlogen.

De Appelvink – een mannetje –  inspecteerde kort mijn voedertafel en was binnen vijf seconden weer weg. De dagen erna zag ik hem niet meer terug. Zou het weer vijftien jaar duren? Die kans was groot. Maar nee hoor, het leven spotte enkele weken later weer eens met zijn wetten. Op een ochtend van dit winterse voorjaar zaten zes vogels in de kale beuk aan de rand van mijn tuin. Loom keken ze me aan. Bijna ongeïnteresseerd vermorzelden ze af en toe een beukenknop. Ze bleven zelfs zitten toen ik mijn verrekijker ophaalde uit mijn tuinhuis. Zeven keer uitvergroot genoot ik minutenlang van zes Appelvinken, drie mannetjes, drie vrouwtjes. Het leven is een feest als de slingers voor je neus worden opgehangen.

Dit verhaaltje verscheen eerder in het verenigingsblad van Tuin- en Recreatievereniging Stadspark.

De Vogelboom

Wij hebben de hele dag zon bij ons tuinhuis. Dat komt omdat er weinig hoge bomen in en rond onze tuin staan. Oké, aan de oostrand staan de honderd jaar oude beuken van het Stadspark, maar daar is de zon in de zomer al om 10 uur overheen. Dan worden wij meestal net wakker na een heerlijke nacht in een donkere en stille slaapkamer. Dat is in de stad wel anders. En dan staat er nog één hoge boom in onze tuin, maar die staat aan de noordkant. Daar kan de zon niet achter verdwijnen. Die boom is trouwens een spar en enorm hoog. Ik schat zo’n 15 tot 20 meter. Misschien wel 25 meter; ik ben niet zo goed in schatten. Hij zou in ieder geval rond kersttijd niet misstaan op de Grote Markt, voor het Stadhuis.

Die spar heeft net als mijn auto, vriendin, kinderen en mijn recent aangeschafte heggenschaar – de zwaardvis – een bijnaam. Het is de Vogelboom. Als er mooie of bijzondere vogels in onze tuin landen, is het bijna altijd in die metershoge kerstboom. Zo hoorden we op een mooie zomeravond, al voetballend op het gazon, een onbekend geluid uit de boom komen. Een zacht, herhaaldelijk piepje. Een zoektocht met de verrekijker leverde een kuifmees op. Dit bruine meesje met enorm eigenwijze kuif, komt vooral in naaldbos voor.  Niet echt algemeen dus  in het Stadspark met al zijn loofbomen.

Laatst zat ik hier weer te schrijven toen er een vogeltje uit de Vogelboom neerdaalde op het gras. Voor ik de kijker had kunnen grijpen, zat hij alweer tussen de naalden verscholen. Om even later weer op het gazon te landen. Toen had ik de verrekijker wel bij de hand en kon het vogeltje zeven keer uitvergroten: een gekraagde roodstaart. Een jong van dit jaar, met nog enigszins gele snavelranden. Hij profiteerde van de enorme hoosbui die al een half uur woedde en viste verzuipende wormpjes, torretjes en andere insecten van de met plassen bedekte grasmat.

En dan net nog, een half uurtje geleden. Ik stond buiten wat na te denken over deze column. Waar zal ik het eens over hebben dit keer? Die vraag hield me bezig toen er boven in de Vogelboom een vogeltje landde. Ongeveer het formaat van een kleine spreeuw, maar onmiskenbaar een specht: de kleine bonte wel te verstaan. Hij keek me af en toe brutaal aan met zijn kopje scheef. Toen hij wegvloog deed hij dat zwijgend, in tegenstelling tot zijn luidruchtige soortgenoot, de grote bonte. Maar goed, ik had ineens een idee voor dit verhaaltje.

In de bast van de Vogelboom – waar trouwens  ’s winters wel eens een boomkruipertje overheen schuifelt – staat een hartje gekerfd. Daar willen we ooit nog eens onze namen omheen krassen. Zoon Mees vraagt daar al twee jaar lang met enige regelmaat om. Misschien moeten we dat deze zomer maar eens doen. Je weet immers nooit hoe het loopt. Hoge bomen vangen nu eenmaal veel wind.

Deze column is eerder verschenen in het verenigingsblad en op de website van TRV Stadspark.

De Tuinhuismerel

Het is nu al het derde voorjaar dat hij wat om me heen keutelt in de tuin: de Tuinhuismerel. Tenminste, ik ga ervan uit dat het steeds dezelfde vogel is. En dat ik dus niet drie zeldzaam tamme merels in mijn tuin heb gehad.

Het is een mannetje: zwart met een knalgele snavel en oogring. Hij volgt me overal. Als ik ergens bezig ben in de tuin, is hij op een paar meter afstand ook druk bezig. Meestal met het omwroeten van de grond, op zoek naar eten. Torretjes, wormpjes, pissebedden, slakjes: alles verdwijnt in die licht gekromde snavel. Zit ik even met een bakkie koffie en een broodje op het bankje tegen de schuur, zit-ie zo aan mijn voeten. Laatst at hij zelfs als een volleerde huismus stukjes brood die ik hem toewierp. En als ik met de laptop op schoot aan het werk ben op de veranda, loopt hij daar weer voor mijn neus. Af en toe maakt hij zachte geluidjes; een murmelende zang vanuit de keel met zijn snavel dicht. Vaak houdt hij zijn kopje scheef als hij me aankijkt. Soms zet hij zijn veren op of laat hij zijn vleugels tot op de grond hangen. Ik leg het allemaal maar uit als tekenen van affectie. Zo voelt het in elk geval.

Als ik met vrouw en kinders in het tuinhuis ben, laat hij zich nauwelijks zien. Te druk denk ik. Vanaf de randen van de tuin komt-ie af en toe de boel gadeslaan. Zijn favoriete uitkijkplekken zijn op de strak geschoren coniferenhaag  van de buurman en op een zijtak van de grote spar aan de andere tuinrand.  ‘Kijk pap, de Tuinhuismerel!’ roepen mijn jongens dan enthousiast. Wat ze ook proberen, echt dichtbij komt het beestje niet. En als zij richting de Tuinhuismerel gaan, vliegt hij weg. Kennelijk kan mijn aanwezigheid hem er niet van overtuigen dat mijn kroost goed volk is.

De afgelopen drie zomers heeft hij ook gebroed in onze tuin. Vorig jaar heeft hij zelfs drie nesten gebouwd; in de coniferenhaag, in de esdoorn en in de blauwe regen. Na het derde broedsel was hij een vliegend vod. Mager, verfomfaaid en op zijn buik helemaal kaal. Merelnesten zijn met hun takjes, gedroogd zand en stukken plastic nou niet echt zacht qua broedcomfort. Als ik in de tuin was, hielp ik hem met het wegjagen van kraaien, eksters, gaaien en verwilderde huiskatten. Hij hoefde maar alarm te slaan en ik kwam eraan. Maar ja, ik ben er niet elke dag. En zo kwam het dat er geen enkele van zijn jonkies  groot werd. De pechvogel.

Deze winter heeft hij zich flink tegoed gedaan aan het vele vogelvoer. Ik strooide het in het huisje en op de daarvoor bedoelde plankjes, maar speciaal voor hem ook op de grond. Daar voelt hij zich toch het beste thuis als het om eten gaat. Hij ziet er op dit moment prachtig uit; met een glanzend zwart verendek. Helemaal klaar om weer een vrouwtje te verleiden. Vanaf dat moment heeft-ie enkele maanden geen oog meer voor mij. Maar dat pakken we in de herfst wel weer op. Ik hoop eerst maar eens dat hij dit jaar niet zoveel jongen hoeft te verliezen. De bikkel.

Dit verhaaltje verscheen in april 2012 op de website en in het verenigingsblad van Tuin en Recreatievereniging Stadspark.

Page 1 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén