Pierre Carrière

Concept & copy, schrijver

Tag: spiegel

Stoppen met roken: een spiegel liegt nooit

Ik durf het nu wel hardop te zeggen. Het duurt namelijk al ruim zeven weken. Nee, ik heb geen nieuwe verkering. Ik ben gestopt. Na 32 jaar. De eerste weken had ik ‘al zoveel dagen niet meer gerookt’, inmiddels ‘ben ik gestopt met roken.’ Zomaar, op een zaterdagmiddag. Keelpijn kwam op en hield twee dagen aan. De behoefte aan roken was even weg. En die kans heb ik aangegrepen. Ik plakte er steeds één dag aan vast.

Ik had goede redenen om te stoppen. Zo begon ik te voelen hoe slecht roken voor me was. Ik wist het al lang, maar van kennis leer je niet zoveel. Van ervaren des te meer. Toen mijn longen begonnen te piepen en ik tenniswedstrijden verloor omdat de adem op was, was het genoeg. En dat gekwakkel met mijn gezondheid in de afgelopen drie winters vanwege mijn lagere weerstand was ik ook zat. Wijsheid komt met de jaren, al is het maar omdat je fysiek aftakelt.

Eerlijk is eerlijk, de door mij verfoeide maatregelen van de overheid hebben mij ook geholpen. Of nee, gebroken. Dat begon met het afnemen van mijn sigaret terwijl ik op mijn werk op een tekst zat te zweten. Daarna geen sigaret meer bij een Calvadosje na het eten in een gezellig restaurant. En een verbod in de horeca, waar mijn voorkeur nou juist bij die spreekwoordelijke rokerige kroegen en concertzaaltjes lag. Overheid en medische wereld hebben me in innige samenwerking opgejaagd en naar buiten gedreven, het Hollandse klimaat in. Ze hebben me op de knieën gekregen.

Ik heb geen boeken gelezen, nicotinekauwgom gebruikt of pleisters geplakt. Mijn enige hulpmiddel was een spiegel. En dan nog niet eens een echte, maar een overdrachtelijke. Ik heb er het laatste jaar vaak in gekeken. Bijvoorbeeld om half elf ’s avonds, voor het naar bed gaan, in de motregen, rokend achter het huis. Of ik zag mezelf een sigaret en aansteker zoeken voordat ik mijn telefoon opsnorde om iemand te bellen. En ik betrapte mezelf rokend en pratend met onbekenden terwijl mijn vrienden binnen in de kroeg zaten. In die spiegel zag ik dat ik rookte omdat het moest. En natuurlijk rookte ik ook lekkere sigaretten, die ik zelf graag wilde roken. De eerste, ’s ochtends met koffie. Of die na twee uur intensief schrijven, uitrustend. Die na het avondeten. Maar die spiegel vertelde mij glashard dat de verhouding scheef lag. En een spiegel liegt nooit.

Hij was er wanneer ik mij verschrikkelijk voelde. Wanneer ik uitgelaten was. Maar ook bij hoge stress. Of wanneer er iets te vieren viel. Wanneer ik even energie nodig had. En als ik even tot rust moest komen. De sigaret was net Haarlemmer olie; goed in elke situatie. Hij hielp me. Maar ook naar de klote. Ik ben altijd een roker geweest. Tot mijn twaalfde een latente. Daarna een stevige. De laatste jaren een milde. En sinds zeven weken een gestopte. Wat begon als beslissing van een twaalfjarig ego dat erbij wilde horen, werd een wezenlijk onderdeel van het dagelijks leven van een volwassen man die steeds meer zichzelf werd. Dag lieve vriend, ik hoop je nooit meer nodig te hebben.

Sport als spiegel

Sinds een maand of drie doe ik weer aan sport. Ik tennis. Daar begon ik mee toen ik 10 jaar was. Tot mijn 18e speelde ik veel en fanatiek. Eenmaal studerend, en op kamers, verruilde ik de tennisbaan voor de kroeg. Vijftien jaar lang raakte ik geen racket aan. De comeback op mijn 32e stelde weinig voor – drukdrukdruk als ik was met een eigen bedrijf en mijn twee kleine kinderen –  en werd bovendien ruw afgebroken door gescheurde kniebanden. Er verstreken wederom vele tennisloze jaren, maar 43 leek me een prachtige leeftijd voor een tweede terugkeer op de baan. Zeker nu mijn beide jongens deze sport ook omarmd hebben.

Nu ik dit typ, rust mijn rechterelleboog heel bewust op het bureau. Mijn hele arm doet namelijk nog pijn van de tennispartij van afgelopen zondag. Net als in de wedstrijden van afgelopen weken ging ik veel te hard tekeer. Ik serveerde voluit als in mijn tienerjaren, joeg fore- en backhands vol topspin zo hard mogelijk over het net en liep als een idioot achter onhaalbare ballen aan. Met mijn gezonde verstand weet ik dat ik zo niet  moet spelen. Ik ben geen 18 meer, de omstandigheden in en om mij heen zijn veranderd. Een verstandig mens past zich daaraan aan. Maar tennissen gaat niet met het hoofd, maar op intuïtie.  En in mijn systeem wordt dit spelletje kennelijk direct gelinkt aan die fanatieke, ongeduldige en drieste tiener die ik ooit was. Te onrustig om lange rally’s te spelen en ‘de tegenstander de fout te laten maken’. Ik koos altijd direct de aanval; moest het punt zo snel mogelijk maken. En ik wilde altijd winnen. Ik sloeg nog net geen rackets stuk op de grond als ik dreigde te verliezen, maar kwam er al foeterend en scheldend wel dichtbij.

Ik ben inmiddels een stuk rustiger. Meer in evenwicht. Ik heb de laatste jaren veel over mezelf geleerd, zelfs via de snelkookpanconstructie van een burn-out. Ik heb oude mechanismen in mezelf blootgelegd. Met name die overlevingsstrategieën uit mijn jeugd die me nu meer in de weg zitten dan helpen. Ik heb daar afscheid van genomen. Tenminste, dat idee heb ik. Maar op de tennisbaan is daar weinig van terug te zien. Zodra de eerste bal op me afkomt, verander ik in de oude Pierre van lang geleden. Ik vertelde laatst aan mijn vriendin Linda dat ik ‘totaal mezelf niet was’ tijdens het potje tennis van die middag.

De enige winst die ik geboekt heb, is dat ik me over mijn gedrag verbaas. Dat ik me er van bewust ben. En dat ik geestelijk en lichamelijk voel dat dit niet (meer) bij me past. Het doet me beseffen hoe moeilijk leren is. Afleren vooral. Ik zie hoe vast bepaalde mechanismen verankerd zitten in een mens. Een individuele sport is een fantastische spiegel.

Er valt nog veel winst te behalen, in mijn leven en op de tennisbaan. Ik blijf het proberen. Natuurlijk accepteer ik hoe ik in elkaar zit. Ik zal altijd de aanval zoeken en niet voor het veilige, constante spel kiezen. Niet op de baan, niet in mijn leven. Maar het mag wel een onsje minder. Het mag wel iets meer naar het midden toe. Al was het maar om mijn tweede comeback niet vroegtijdig te laten beëindigen door een tennisarm. Dat zou me vele uren tennisplezier met mijn vrienden en jongens gaan kosten.

Volgende week vrijdag heb ik weer een kans. Dan kan ik wellicht bewijzen dat ik het spel kan spelen dat bij een 43-jarige, wijs geworden vader van twee kinderen hoort. Een man met een wankele rechterknie, een ongetrainde arm en een conditieachterstand. Een man die bewust op de baan staat. Die een goede balans weet te vinden tussen intuïtie en verstand, tussen hart en hoofd. Iets rustiger serveren dus. Minder hard slaan. En ik hoef niet elke bal te halen. Als dit me lukt, mag mijn tegenstander de twee sets in zijn tas steken. Dan versla ik hem wellicht over een tijdje wel met mijn nieuwe, verbeterde spel; dat van Pierre 2.0.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén