Pierre Carrière

Concept & copy, schrijver

Tag: burnout Page 2 of 4

Hoogtepunt

Het afsluiten van de boel hangt onlosmakelijk samen met een dagje tuinhuis. Zoals afscheid hoort bij een enerverende ontmoeting, zoals een punt achter een zin. Het afsluiten van het tuinhuis maakt de dag compleet en maakt het voorgaande tot wat het is. Bovendien, als je alles open laat staan, worden je spullen gejat. Ook een belangrijk puntje.

Het afsluiten is een tijdrovende klus. Alles wat gedurende de dag uit het huisje en de twee schuren is gesleept, moet weer naar binnen. Alle spullen op hun vaste plek omdat ze daar nu eenmaal horen volgens mijn oudste zoon Justin. Hij gaat dan ook voorop in de strijd tegen chaos. De badmintonrackets, jeu de boules-set, frisbees en voetbal in de rieten mand. De rieten mand op de derde plank van de stellage in de Grote Schuur, naast de jerrycan benzine voor de motormaaier. Het tuingereedschap in de Kleine Schuur. Zagen en snoeischaren graag op hun eigen spijker aan de wand. Parasol in het hoekje naast de servieskast in de woonkamer. Rieten stoeltjes weer naast de kachel en bij het raam. Vaat op het aanrecht en afval in het rode prullenbakje in de keuken. Dan zijn we al een heel eind.

Bij mooi weer is ons achterterras een zwemparadijs. Centraal staat een rond zwembad met een doorsnee van drie meter. Die vullen we niet tot de rand want dan verzuipt onze jongste. Naast deze zwemtrots van het tuinhuis staat een klein pierenbadje. Dit wordt gebruikt om even de voetjes in af te spoelen alvorens het grote bad te betreden. In de periode voor het kleine badje, lagen we in het grote bad namelijk binnen de kortste keren in een troebele groentesoep van zanderig water met een vlies van blaadjes, takjes, sprietjes en spartelende insecten. En daar wordt je toch wat treurig van. In en om het tuinhuis proberen we een mediterrane vakantiesfeer te creëren. Het ideaalbeeld van geluk, een soort gratis prozac. Daar hoort helder water in een helblauw zwembad bij. Kijk maar in de reisgidsen.

Bij het opruimen zijn ook de regels voor het achterterras duidelijk en strak. Het grote bad blijft staan, het kleintje gaat leeg. Een maatregel die we vorig jaar ingesteld hebben. Het ondiepe water was namelijk een kweekvijver voor muggenlarven. Een paar dagen later prikten die ons, inmiddels gevleugeld, lek op het terras. Het kleine badje heeft zijn eigen plek in de ongebruikte douchecabine in de Grote Schuur. Ik parkeer hem altijd op zijn zijkant tegen de coniferenhaag die het zwemparadijs omzoomt. We doen trouwens net of dat cipressen zijn en voilà, we zijn gelukkig in Toscane. Meestal sleept Justin het badje toch onder de douche. Sinds ik hem ervan overtuigd heb dat niemand een badje zal stelen van nog geen 3 euro bij de drogist, bovendien met lekke tweede ring, ziet hij het nog wel eens door de vingers. De tuinslang waarmee de baden gevuld worden, wordt op zijn houder aan de schutting gehangen. En het aquariumschepnetje, waarmee we de eerdergenoemde rotzooi uit het bad vissen en regelmatig insectenlevens redden, heeft een eigen spijker in de Kleine Schuur. Dan kunnen we de aan de laatste fase van het afsluiten beginnen.

Tot slot moeten immers alle deuren van de opstallen op ons landgoed vergrendeld worden. En dat zijn toch vijf sleutelhandelingen, die niet allen even soepel verlopen. Ook sloten slijten. Maar voordat alles op slot gaat, begint Justin aan zijn favoriete klus: het dichtdraaien van de negen jaloezieën. Als we ’s ochtends naar het huisje fietsen, heeft hij daar al zin in heeft ie me ooit toevertrouwd. Wanneer ik hem druk zie opruimen aan het einde van de middag, heb ik de indruk dat het afsluiten sowieso zijn hoogtepunt van de dag is. Soms begint hij twee uur voordat we weg gaan al te vragen wanneer we gaan afsluiten. Het bevestigt de stelling van een oud-collega van me, een fervent Vrije School-, Jenaplan- en Montessorihater: ‘Jonge kinderen hebben recht op orde en regelmaat. Want daar hebben ze nu eenmaal behoefte aan.’

Bovenstaand verhaaltje is een van de ‘tuinhuisverhaaltjes’ uit mijn boek Spaak, overwinnen van een burn-out. Hoofdstuk 10 om precies te zijn. Meer info over Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Ongehoord!

Op een dag kwam ik weer eens aanfietsen voor een tuinhuisbezoekje en toen klopte er iets niet. Er was er iets. Of eigenlijk, er was niets. Niets meer! De voorheen schitterende border langs mijn tuin was verwoest. Zwart. De border was rigoureus geruimd als een stal vol besmet vee. Hier was nietsontziend gemoord en geplunderd. Weg hortensia’s, varens, hosta’s ooievaarsbek en andere flora. Ze waren vervangen door vijf treurig uitziende struiken, die als kleine eilandjes verspreid lagen in een zee van kleffe en inktzwarte veengrond. Ik was woest!

Met een bak koffie op het terras kwam ik wat bij zinnen en ontleedde ik mijn boosheid. Het was zo’n mooi en natuurlijk perk. Er bloeiden zoveel kleuren. Dat haal je toch niet zomaar weg? Ik hoorde vaak voorbijgangers lovend spreken over mijn border, een voorbeeld van vrij tuinieren. Veel planten, geen centimeter aarde te zien en zo gevarieerd in vegetatie als een beschermd beekdal. Verdomme. En dan het feit dat het onaangekondigd en ongevraagd leeggehaald was. Ongehoord. Natuurlijk, dat perk is eigendom van het park. Het hoort niet bij mijn tuin. Maar ik ben wel verplicht het te onderhouden volgens de parkregels. Dan verwacht je op z’n minst een mailtje, briefje of telefoontje met de mededeling. Zoiets als ‘dinsdagmorgen 7 juni a.s. zal vanaf 9.00 uur des ochtends de border aan de westzijde van het perceel Lijsterbeslaan 9 ontruimd worden, hierbij hopende u voldoende geïnformeerd te hebben, Hoofd Tuincommissie’. Op zijn minst. Want liever had ik nog een toelichting gehad. Met daarin het ‘waarom’ en het ‘hoe nu verder’. Nog liever had ik overleg gehad. Inspraak. ‘Meneer Carrière, u bent geacht de border langs uw tuin te onderhouden, waar gaat uw voorkeur naar uit? We nemen uw ideeën graag mee in onze plannen voor de herinrichting.’

Mijn droevige conclusie was dat ik zelfs op een idyllisch tuinpark, waar louter vrede, vrijheid en blijheid lijken te bestaan, ook gefrustreerd wordt door een autoriteit die zich hufterig gedraagt. Probeer je een vluchtplek te vinden voor de harde realiteit van onze maatschappij, een plaats waar Belastingdienst, Gemeentebestuur, Energieleverancier, Telecomaanbieder en vervelende klanten je niet weten te raken, wordt je gefrustreerd door een stelletje gepensioneerde en zichzelf vervelende vrijwilligers die zich verzameld hebben in de Tuincommissie. Fuck.

Mijn grootste ergernis was echter de consequentie van deze actie. Het toekomstperspectief. Want wie staat zich straks een ongeluk te schoffelen? Precies. Met mijn koffie in de hand liep ik langs de verwoeste strook, zorgvuldig mijn passen tellend. Ik kwam tot vijfendertig. De breedte schatte ik op twee meter. Kortom, zeventig vierkante meter aarde die onkruidvrij gehouden moest worden. Door mij. Als dat niet regelmatig gebeurt, wordt er voor je het weet een brief van de Tuincommissie onder je deur doorgeschoven, weet ik uit ervaring. En de toon in die brieven is op z’n minst gezegd betuttelend, irritant en maakt me licht moordlustig. Maar mijn eigen tuin dan? Die moet ook bijgehouden worden. En het huisje met al z’n achterstallig onderhoud? De boosheid laaide weer op. Zo’n tuinhuisje moet leuk blijven, moet geen dagtaak worden. Ik heb gewoon een drukke baan hoor, een eigen bedrijf zelfs. Eikels!

De halfdode struiken waren een jaar later morsdood. Ze waren niet aangeslagen zoals dat in tuinderstermen heet. Inmiddels stonden ze tot hun enkels in het groen; een mix van gras, brandnetels, distels, zuring en ander gemeen onkruid. Ik heb het hele jaar geen vinger uitgestoken naar het perk. Een jaar lang is de border het meest verwaarloosde stukje Piccardthof geweest. De drie tuinmannen die hier in vaste dienst zijn, groetten me niet of nauwelijks meer. Voorbijgangers bespraken de verwilderde inrichting van de border fluisterend met elkaar. En ik deed net of die zeventig vierkante meters niet bestonden.

Enkele weken geleden stond één van de tuinmannen de border opnieuw om te spitten. De verlepte struiken waren verwijderd. Ze hadden voor deze loodzware klus de oudste, meest broze en wat krom lopende tuinman aangesteld. Het lukte hem echter zonder hernia de ruigte weer om te toveren tot een strakke zwarte strook. Een paar dagen later stonden er 15 nieuwe struikjes in. Kleine Seringen die ongeveer een meter hoog worden en paars bloeien in juli, las ik op een kaartje aan één van de planten. Inmiddels ben ik alweer bij het tuincentrum geweest om het nog steeds overvloedige zwart te bedekken met groen. Vrouwenmantels en Kattenstaarten houden de Seringen nu gezelschap. En ook uit mijn eigen tuin haalde ik overbodige Wilde Aardbeitjes, Saxifraga’s en nog wat bloeiend spul waarvan ik de naam niet weet. Het doel mag duidelijk zijn: het moet weer een kleurenzee van bloemen worden, zonder zwart. Onderhoudsvrij, net als vroeger. Zodat ik me hier weer helemaal kan storten op mijn eigen zaken. Die ik doe wanneer ik er zin in heb. Waar geen druk op zit. Waar niemand over meebeslist of me boze brieven over stuurt. Want mijn tuinhuisje moet een plek blijven waar niks moet en alles mag. En waar het tempo door mijzelf bepaald wordt. Kortom, een plek waar ik alleen met mezelf te maken heb.

Dit stuk is een van de 15 ‘tuinhuisverhaaltjes’ uit mijn boek Spaak, hoofdstuk 14 op precies te zijn. Meer info over Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Parket

Het tuinhuis was na vier jaar bijna af. Tenminste, van binnen. Het mag dan even geduurd hebben, maar echt elke vierkante centimeter is dan ook door ons bewerkt. Het witte plafond is bespannen met blauw doek. De blankhouten keukenkastjes zijn geel geverfd, evenals alle wanden. De meubels van de vorige eigenaar zijn vervangen door exemplaren die meer voldoen aan onze eigen smaak. De kozijnen en deuren zijn lichtblauw geworden en de slaapkamer is behangen met zo’n twintig landkaarten. De weg in Los Angeles, Limburg, Frankrijk, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Ierland of Utah vind je rond onze twijfelaar. Het van oorsprong witte interieur met bruine accenten is een fleurige boel geworden. Alleen die vloer. We hebben het deprimerende donkerbruine plastic zeil met parketmotief er direct uitgehaald. De houten onderplaten hebben de afgelopen jaren geen nieuwe bedekking gekregen. Totdat ik op internet een koopje tegenkwam: 27 vierkante meter beukenparket voor honderd euro. Op vijftien kilometer van mijn huis.

‘Wat heb jij mooi haar’, zegt het meisje van een jaar of tien tegen mijn vriend H. Hij heeft inderdaad mooie bruine krullen en is mee naar Zuidlaren omdat hij zo’n handig busje heeft voor parkettransport. Maar bovenal omdat het hem gezellig leek. Het meisje zelf heeft trouwens ook mooi haar; lang en blond. Ze voetbalt met haar iets oudere broertje op straat voor huisnummer 12, ons reisdoel van die avond.

‘Komen jullie de vloer halen?’, vraagt het broertje. We antwoorden bevestigend en lopen met de kinderen de oprit van het jaren negentig-huis op. Bij het binnenrijden van de wijk was ons opgevallen dat er zoveel busjes en aanhangers met bouwmateriaal geparkeerd stonden. Het leek wel of elke bewoner bezig was met het betegelen van zijn tuin, het aanbouwen van een dakkapel of het verlengen van de woonkamer.

Het meisje kijkt vertederd op naar H., waar ze inmiddels dicht naast is gaan lopen. We maken kennis met hun ouders en even later geven we met z’n zessen bundeltjes planken aan elkaar door. Drie man in de woonkamer, drie aan de andere kant van het openstaande raam waar H. zijn busje heeft geparkeerd.

‘Mijn zus is verliefd op jouw vriend’, zegt het jongetje zacht tegen mij als ik hem een stapel hout aangeef. Hij krijgt direct op zijn kop van z’n moeder, die vindt dat hij niet van die rare dingen moet zeggen. Wanneer al het parket in de auto zit, wordt er koffie gezet. Ik praat wat met de ouders en het drukke broertje, terwijl H. is ingegaan op de uitnodiging van het meisje. Zij voetballen samen op straat.

Als de koffie klaar is, schuift iedereen aan de lange eettafel in de achterkamer. Het meisje en haar broertje zitten als eerste. Wanneer H. aan het hoofd van de tafel gaat zitten, schuift het meisje direct een stoel op. Nu ze naast hem zit, kan ze hem weer goed bekijken. Wat ook gebeurt, zonder gêne.

‘Nu heb ik drie vaders’, zegt ze. En ze wijst naar H., haar vader en naar mij. H. en ik lachen en de vader doet een poging mee te lachen. Maar die wat verkrampte lach valt absoluut in de categorie ‘boer met kiespijn’. Direct na de koffie vertrekken we weer richting Groningen. De kinderen lopen uitbundig zwaaiend een stukje mee met onze afgeladen auto. Het meisje houdt dat het langste vol.

‘Daar krijgen die ouders nog heel wat mee te stellen’, zijn H en ik het eens. Onderweg praten we over ontmoetingen met onbekenden, zomaar ergens. Die maken het leven zo leuk en verrassend. Ik vertel over die vrouw die ik laatst tegenkwam in mijn stamkroeg. Zij had net als ik een burn-out gehad. Niet zo heel bijzonder, want het is ziekte nummer één onder de Nederlandse beroepsbevolking. Wat echter wel opvallend was, is dat zij net als ik een ring voor zichzelf had gekocht ter herinnering aan die heftige periode. Als een cadeautje voor jezelf, een beloning voor het feit dat je er doorheen bent gekomen. En ook een dagelijks zichtbare en tastbare herinnering aan de lessen die je geleerd hebt in die jaren. Of je die nooit meer wilt vergeten. Zij geeft die ring zelfs elke dag een kusje vertelde ze me. Er zijn grenzen natuurlijk.

Eenmaal bij het tuinhuis laden we het hout uit. We eindigen met een bakkie koffie op het terras. Het is inmiddels een uur of negen, de zon is net achter de bomen verdwenen. Er heerst een serene rust in de tuin en het ruikt naar avond. Ik geef H. een vuurtje en kijk hem glimlachend aan. ‘Wat heb je toch mooi haar’, besluit ik.

Dit verhaal is hoofdstuk 26 uit mijn boek Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Blauw boterhamzakje: ode aan de ijsvogel

Op mooie herfstdagen ben ik graag op het park waar mijn tuinhuisje staat. Het is er dan niet zo druk. De natuur neemt het over van de mens. Vogels overvleugelen zonaanbidders, stilte overstemt kindergeschreeuw. Zeker op een doordeweekse dag. Wanneer de mensen op het werk en naar school zijn, is het ook een soort natuurreservaat. Reken maar uit: 350 tuinen van gemiddeld 300 vierkante meter met daarop huisjes van maximaal 28 vierkante meter. Dat is een aardige oppervlakte aan bomen, struiken, grasmatjes en vijvers. Een paradijs voor allerlei beesten. Zeker als je bedenkt dat hier geen katten en honden rondlopen.

Op dit soort dagen maak ik graag een wandeling over het park. Laarzen aan en verrekijker om de nek. Langzaam slof ik over de schelpenpaadjes, de ogen en oren op scherp. Door de verschillende laantjes zigzag ik naar de Piccardthofplas, een meertje aan de rand van het park. Onderweg let ik vooral op vogels. Die tic zit al generaties lang in mijn familie. Mijn opa, ooit voorzitter van de Vogelbescherming, maakte het wel heel bont.  Hij legde al een vogellijstje aan als hij van Den Haag naar Rotterdam reed: merel, spreeuw, huismus, zwarte kraai, wilde eend. Ik kwam dat soort lijstjes een keer tegen in een oude agenda van hem uit 1974. Rijtjes van tien of  twaalf waargenomen soorten, voorzien van datum.

In oktober en november barst het van de vogels op het park. Vooral de naaldbomen met hun dennenappels zijn populair. In de boomtoppen dartelen ‘gemengde groepjes’, zoals dat in algemeen beschaafde vogeltaal heet. Groepjes van bijvoorbeeld staart- en pimpelmezen, vaak aangevuld met wat goudhaantjes. Ze komen veelal uit Scandinavië en Siberië, wanneer het daar te koud is geworden om nog onbevroren voedsel te vinden.

Het wemelt ook van de roodborstjes op het park. Elke tuin heeft zijn eigen exemplaar. Het lijkt wel of die zich heel bewust zijn van hun felgekleurde borst. Ze steken hem vaak fier vooruit. En ze manifesteren zich nogal. Waar de meeste vogels verdekt door de struiken schuifelen, gaan roodborstjes vaak op een goed zichtbare plek keihard zitten zingen. Kijk mij met m’n rode borst. Opscheppers.

Deze waarnemingen zijn slechts een opmaat voor mijn hogere doel. Want ik loop niet voor niks naar de plas. Ik ben namelijk, net als vele vogelliefhebbers met mij, altijd op zoek naar de vogel der vogels: de vliegende edelsteen. Het kleurkanon. De koning der vissers. In het Engels niet voor niks kingfisher genaamd. Juist, de ijsvogel. De blauwe schicht. Een lust voor het oog in meerdere opzichten. Natuurlijk vanwege zijn kleuren. In hoofdlijnen: blauw van boven en oranje van onderen. Daarmee doe ik het beestje echter tekort. Zijn vleugels en kop zijn kobaltblauw. De lichtblauwe vlekjes – het lijken wel diamantjes – maken het verendek bovengemiddeld mooi. Maar zijn roem en bijnamen dankt de ijsvogel met name aan zijn rug. Van zijn nek tot z’n staart loopt een felblauwe baan. Een onbeschrijfelijk, bijna fluorescerend azuurblauw dat, wanneer de zon erop schijnt, niet is te reproduceren via drukinkt of olieverf. Die sensatie moet een mens toch echt met eigen ogen aanschouwen.

Ook de verhoudingen van de ijsvogel zijn indrukwekkend. Een derde van het vogeltje bestaat uit snavel. Een meedogenloze dolk waartegen de meeste visjes het moeten afleggen. Zijn vistechniek is spectaculair. Vanaf een takje laat hij zich als een steen in het water vallen. Vleugels langs het lijf, nek gestrekt, snavel op het doel gericht. Pats! Klein minpuntje: hij vliegt een beetje hulpeloos. Met stijve vleugeltjes stiefelt hij laag over het water. Niks sierlijke vleugelslag. En als hij van koers verandert, gaat dat niet met een flitsende, krachtige wending. Nee, met een flauw bochtje vervolgt hij lafjes zijn weg. Het oogt allemaal wat stram, maar hij gaat wel hard. Ik heb wel eens gelezen dat hij de vijftig kilometer per uur haalt. Alles bij elkaar steekt hij in Nederland met kop en schouders boven de andere vogels uit.

De ijsvogel laat zich moeilijk vinden. Hoeveel uren heb ik al niet getuurd over riviertjes, vennetjes en meren? Het beestje bepaalt zelf wanneer hij zich laat zien. Hij dient zich aan wanneer hij er zin in heeft. Wat dat betreft is hij net zo eigenzinnig als een kat. Die komt ook niet wanneer je hem aanhaalt. Die springt plotseling op schoot als je net even rustig de krant wil lezen. De meeste waarnemingen heb ik dan ook gedaan wanneer ik niet op zoek was. Het is elke keer weer geweldig om het beestje te zien. Maar uiteindelijk blijft dat ene moment je de rest van je leven bij: die eerste keer. Elke vogelaar weet nog precies wanneer hij zijn eerste ijsvogel zag. Waar. En hoe hij toen reageerde.

Het was in de zomer van 1996. Linda en ik kwamen terug van een vakantie in de Camargue waar we flamingo’s, bijeneters, scharrelaars en slangenarenden hadden gezien. Vogeltechnisch waren we dus al aardig verzadigd. We logeerden een nachtje in Zuid-Limburg en maakten een wandeling langs het riviertje de Geul. Dé biotoop van de ijsvogel: helder, stromend water, geleid via hoge oevers waarin ijsvogels graag hun nesthol graven. Het was in Wijlre, bij de bierbrouwerij van Brand, waar twee watermolens aan de wand hangen. We waren al uren op zoek naar het vogeltje en hadden net een enorme plensbui over ons heen gehad. We waren volslagen kansloos geweest in het open veld. Doorweekt speurde ik de Geul af met mijn verrekijker. Het was een uurtje of zeven ’s avonds en de zon brak net weer door. En ineens zat hij daar. Op een takje boven het water. In vol zonlicht.

‘IJsvogel, ijsvogel!’

Mijn stem sloeg over en ik gaf de kijker snel over aan Linda.

‘Daar! Op dat takje.’

Met een ongecontroleerd armgebaar wees ik in de richting van de kostbare vondst. En weg was-ie weer. Allebei hebben we het beestje hooguit twee seconden in beeld gehad. Misschien nog wel korter. Maar lang genoeg om het de rest van ons leven te herinneren als de dag van gisteren.

Zo heeft iedereen die de ijsvogel ooit heeft gezien zijn eigen verhaal. Vogelaars maar ook gewone stervelingen. Zoals Willem van Hanegem bijvoorbeeld. Ik las een tijdje geleden een interview met hem. Hij vertelde over de periode dat hij even geen club had om te trainen. Hij zat veel thuis en genoot van andere dingen dan voetbal. Op een gegeven moment wees zijn vrouw hem op een ijsvogeltje. De vogel zat aan de slootkant achter hun huis. Willem had hem al lang gezien. Hij dacht alleen dat het een blauw boterhamzakje was dat in de takken hing. En zo heeft de ijsvogel er weer een bijnaam bij.

Dit verhaal is hoofdstuk 18 uit mijn boek Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Page 2 of 4

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén