Pierre Carrière

Concept & copy, schrijver

Tag: boek Page 3 of 5

Parket

Het tuinhuis was na vier jaar bijna af. Tenminste, van binnen. Het mag dan even geduurd hebben, maar echt elke vierkante centimeter is dan ook door ons bewerkt. Het witte plafond is bespannen met blauw doek. De blankhouten keukenkastjes zijn geel geverfd, evenals alle wanden. De meubels van de vorige eigenaar zijn vervangen door exemplaren die meer voldoen aan onze eigen smaak. De kozijnen en deuren zijn lichtblauw geworden en de slaapkamer is behangen met zo’n twintig landkaarten. De weg in Los Angeles, Limburg, Frankrijk, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Ierland of Utah vind je rond onze twijfelaar. Het van oorsprong witte interieur met bruine accenten is een fleurige boel geworden. Alleen die vloer. We hebben het deprimerende donkerbruine plastic zeil met parketmotief er direct uitgehaald. De houten onderplaten hebben de afgelopen jaren geen nieuwe bedekking gekregen. Totdat ik op internet een koopje tegenkwam: 27 vierkante meter beukenparket voor honderd euro. Op vijftien kilometer van mijn huis.

‘Wat heb jij mooi haar’, zegt het meisje van een jaar of tien tegen mijn vriend H. Hij heeft inderdaad mooie bruine krullen en is mee naar Zuidlaren omdat hij zo’n handig busje heeft voor parkettransport. Maar bovenal omdat het hem gezellig leek. Het meisje zelf heeft trouwens ook mooi haar; lang en blond. Ze voetbalt met haar iets oudere broertje op straat voor huisnummer 12, ons reisdoel van die avond.

‘Komen jullie de vloer halen?’, vraagt het broertje. We antwoorden bevestigend en lopen met de kinderen de oprit van het jaren negentig-huis op. Bij het binnenrijden van de wijk was ons opgevallen dat er zoveel busjes en aanhangers met bouwmateriaal geparkeerd stonden. Het leek wel of elke bewoner bezig was met het betegelen van zijn tuin, het aanbouwen van een dakkapel of het verlengen van de woonkamer.

Het meisje kijkt vertederd op naar H., waar ze inmiddels dicht naast is gaan lopen. We maken kennis met hun ouders en even later geven we met z’n zessen bundeltjes planken aan elkaar door. Drie man in de woonkamer, drie aan de andere kant van het openstaande raam waar H. zijn busje heeft geparkeerd.

‘Mijn zus is verliefd op jouw vriend’, zegt het jongetje zacht tegen mij als ik hem een stapel hout aangeef. Hij krijgt direct op zijn kop van z’n moeder, die vindt dat hij niet van die rare dingen moet zeggen. Wanneer al het parket in de auto zit, wordt er koffie gezet. Ik praat wat met de ouders en het drukke broertje, terwijl H. is ingegaan op de uitnodiging van het meisje. Zij voetballen samen op straat.

Als de koffie klaar is, schuift iedereen aan de lange eettafel in de achterkamer. Het meisje en haar broertje zitten als eerste. Wanneer H. aan het hoofd van de tafel gaat zitten, schuift het meisje direct een stoel op. Nu ze naast hem zit, kan ze hem weer goed bekijken. Wat ook gebeurt, zonder gêne.

‘Nu heb ik drie vaders’, zegt ze. En ze wijst naar H., haar vader en naar mij. H. en ik lachen en de vader doet een poging mee te lachen. Maar die wat verkrampte lach valt absoluut in de categorie ‘boer met kiespijn’. Direct na de koffie vertrekken we weer richting Groningen. De kinderen lopen uitbundig zwaaiend een stukje mee met onze afgeladen auto. Het meisje houdt dat het langste vol.

‘Daar krijgen die ouders nog heel wat mee te stellen’, zijn H en ik het eens. Onderweg praten we over ontmoetingen met onbekenden, zomaar ergens. Die maken het leven zo leuk en verrassend. Ik vertel over die vrouw die ik laatst tegenkwam in mijn stamkroeg. Zij had net als ik een burn-out gehad. Niet zo heel bijzonder, want het is ziekte nummer één onder de Nederlandse beroepsbevolking. Wat echter wel opvallend was, is dat zij net als ik een ring voor zichzelf had gekocht ter herinnering aan die heftige periode. Als een cadeautje voor jezelf, een beloning voor het feit dat je er doorheen bent gekomen. En ook een dagelijks zichtbare en tastbare herinnering aan de lessen die je geleerd hebt in die jaren. Of je die nooit meer wilt vergeten. Zij geeft die ring zelfs elke dag een kusje vertelde ze me. Er zijn grenzen natuurlijk.

Eenmaal bij het tuinhuis laden we het hout uit. We eindigen met een bakkie koffie op het terras. Het is inmiddels een uur of negen, de zon is net achter de bomen verdwenen. Er heerst een serene rust in de tuin en het ruikt naar avond. Ik geef H. een vuurtje en kijk hem glimlachend aan. ‘Wat heb je toch mooi haar’, besluit ik.

Dit verhaal is hoofdstuk 26 uit mijn boek Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Blauw boterhamzakje: ode aan de ijsvogel

Op mooie herfstdagen ben ik graag op het park waar mijn tuinhuisje staat. Het is er dan niet zo druk. De natuur neemt het over van de mens. Vogels overvleugelen zonaanbidders, stilte overstemt kindergeschreeuw. Zeker op een doordeweekse dag. Wanneer de mensen op het werk en naar school zijn, is het ook een soort natuurreservaat. Reken maar uit: 350 tuinen van gemiddeld 300 vierkante meter met daarop huisjes van maximaal 28 vierkante meter. Dat is een aardige oppervlakte aan bomen, struiken, grasmatjes en vijvers. Een paradijs voor allerlei beesten. Zeker als je bedenkt dat hier geen katten en honden rondlopen.

Op dit soort dagen maak ik graag een wandeling over het park. Laarzen aan en verrekijker om de nek. Langzaam slof ik over de schelpenpaadjes, de ogen en oren op scherp. Door de verschillende laantjes zigzag ik naar de Piccardthofplas, een meertje aan de rand van het park. Onderweg let ik vooral op vogels. Die tic zit al generaties lang in mijn familie. Mijn opa, ooit voorzitter van de Vogelbescherming, maakte het wel heel bont.  Hij legde al een vogellijstje aan als hij van Den Haag naar Rotterdam reed: merel, spreeuw, huismus, zwarte kraai, wilde eend. Ik kwam dat soort lijstjes een keer tegen in een oude agenda van hem uit 1974. Rijtjes van tien of  twaalf waargenomen soorten, voorzien van datum.

In oktober en november barst het van de vogels op het park. Vooral de naaldbomen met hun dennenappels zijn populair. In de boomtoppen dartelen ‘gemengde groepjes’, zoals dat in algemeen beschaafde vogeltaal heet. Groepjes van bijvoorbeeld staart- en pimpelmezen, vaak aangevuld met wat goudhaantjes. Ze komen veelal uit Scandinavië en Siberië, wanneer het daar te koud is geworden om nog onbevroren voedsel te vinden.

Het wemelt ook van de roodborstjes op het park. Elke tuin heeft zijn eigen exemplaar. Het lijkt wel of die zich heel bewust zijn van hun felgekleurde borst. Ze steken hem vaak fier vooruit. En ze manifesteren zich nogal. Waar de meeste vogels verdekt door de struiken schuifelen, gaan roodborstjes vaak op een goed zichtbare plek keihard zitten zingen. Kijk mij met m’n rode borst. Opscheppers.

Deze waarnemingen zijn slechts een opmaat voor mijn hogere doel. Want ik loop niet voor niks naar de plas. Ik ben namelijk, net als vele vogelliefhebbers met mij, altijd op zoek naar de vogel der vogels: de vliegende edelsteen. Het kleurkanon. De koning der vissers. In het Engels niet voor niks kingfisher genaamd. Juist, de ijsvogel. De blauwe schicht. Een lust voor het oog in meerdere opzichten. Natuurlijk vanwege zijn kleuren. In hoofdlijnen: blauw van boven en oranje van onderen. Daarmee doe ik het beestje echter tekort. Zijn vleugels en kop zijn kobaltblauw. De lichtblauwe vlekjes – het lijken wel diamantjes – maken het verendek bovengemiddeld mooi. Maar zijn roem en bijnamen dankt de ijsvogel met name aan zijn rug. Van zijn nek tot z’n staart loopt een felblauwe baan. Een onbeschrijfelijk, bijna fluorescerend azuurblauw dat, wanneer de zon erop schijnt, niet is te reproduceren via drukinkt of olieverf. Die sensatie moet een mens toch echt met eigen ogen aanschouwen.

Ook de verhoudingen van de ijsvogel zijn indrukwekkend. Een derde van het vogeltje bestaat uit snavel. Een meedogenloze dolk waartegen de meeste visjes het moeten afleggen. Zijn vistechniek is spectaculair. Vanaf een takje laat hij zich als een steen in het water vallen. Vleugels langs het lijf, nek gestrekt, snavel op het doel gericht. Pats! Klein minpuntje: hij vliegt een beetje hulpeloos. Met stijve vleugeltjes stiefelt hij laag over het water. Niks sierlijke vleugelslag. En als hij van koers verandert, gaat dat niet met een flitsende, krachtige wending. Nee, met een flauw bochtje vervolgt hij lafjes zijn weg. Het oogt allemaal wat stram, maar hij gaat wel hard. Ik heb wel eens gelezen dat hij de vijftig kilometer per uur haalt. Alles bij elkaar steekt hij in Nederland met kop en schouders boven de andere vogels uit.

De ijsvogel laat zich moeilijk vinden. Hoeveel uren heb ik al niet getuurd over riviertjes, vennetjes en meren? Het beestje bepaalt zelf wanneer hij zich laat zien. Hij dient zich aan wanneer hij er zin in heeft. Wat dat betreft is hij net zo eigenzinnig als een kat. Die komt ook niet wanneer je hem aanhaalt. Die springt plotseling op schoot als je net even rustig de krant wil lezen. De meeste waarnemingen heb ik dan ook gedaan wanneer ik niet op zoek was. Het is elke keer weer geweldig om het beestje te zien. Maar uiteindelijk blijft dat ene moment je de rest van je leven bij: die eerste keer. Elke vogelaar weet nog precies wanneer hij zijn eerste ijsvogel zag. Waar. En hoe hij toen reageerde.

Het was in de zomer van 1996. Linda en ik kwamen terug van een vakantie in de Camargue waar we flamingo’s, bijeneters, scharrelaars en slangenarenden hadden gezien. Vogeltechnisch waren we dus al aardig verzadigd. We logeerden een nachtje in Zuid-Limburg en maakten een wandeling langs het riviertje de Geul. Dé biotoop van de ijsvogel: helder, stromend water, geleid via hoge oevers waarin ijsvogels graag hun nesthol graven. Het was in Wijlre, bij de bierbrouwerij van Brand, waar twee watermolens aan de wand hangen. We waren al uren op zoek naar het vogeltje en hadden net een enorme plensbui over ons heen gehad. We waren volslagen kansloos geweest in het open veld. Doorweekt speurde ik de Geul af met mijn verrekijker. Het was een uurtje of zeven ’s avonds en de zon brak net weer door. En ineens zat hij daar. Op een takje boven het water. In vol zonlicht.

‘IJsvogel, ijsvogel!’

Mijn stem sloeg over en ik gaf de kijker snel over aan Linda.

‘Daar! Op dat takje.’

Met een ongecontroleerd armgebaar wees ik in de richting van de kostbare vondst. En weg was-ie weer. Allebei hebben we het beestje hooguit twee seconden in beeld gehad. Misschien nog wel korter. Maar lang genoeg om het de rest van ons leven te herinneren als de dag van gisteren.

Zo heeft iedereen die de ijsvogel ooit heeft gezien zijn eigen verhaal. Vogelaars maar ook gewone stervelingen. Zoals Willem van Hanegem bijvoorbeeld. Ik las een tijdje geleden een interview met hem. Hij vertelde over de periode dat hij even geen club had om te trainen. Hij zat veel thuis en genoot van andere dingen dan voetbal. Op een gegeven moment wees zijn vrouw hem op een ijsvogeltje. De vogel zat aan de slootkant achter hun huis. Willem had hem al lang gezien. Hij dacht alleen dat het een blauw boterhamzakje was dat in de takken hing. En zo heeft de ijsvogel er weer een bijnaam bij.

Dit verhaal is hoofdstuk 18 uit mijn boek Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Sinterklaas bestaat. Als je jonger dan pakweg 8 bent.

‘Een mens die de moeilijkheden ontloopt, wordt telkens weer voor dezelfde problemen gesteld. Problemen die steeds dieper ingrijpen in zijn bestaan, tot hij zijn zwakheid overwint of zich verliest in de chaos van het leven.’

Met dit citaat begint mijn boek Spaak. Het komt uit het boek Een zwerver van zee tot zee van Maarten Matisse, uitgekomen bij Leopold in Den Haag in 1933. Die Maarten Matisse, sorry dat ik het 77 jaar later verklap, was mijn oud-oom Louis Carriere. De broer van mijn opa. Aan hem heb ik mijn tweede naam te danken. Hij zwierf over de wereld, te voet, en schreef er bovenstaand boek over.

Zijn verhaal begint prachtig. Hij schrijft over de belevingswereld van kinderen. En omdat het vandaag Sinterklaas is, leek me dit een toepasselijke post.

Kinderen leven in een fantastische verbeeldingswereld, even onwerkelijk als het bloemenparadijs dat de vorst in een nacht op de ruiten van onze kamers tekent. Zij geloven in een god die op een troon in de hemel zit. Ze geloven in een land waar wijze radja’s wonderfluiten en tovertapijten schenken. En in een Spanje, waar een Sint woont in een kasteel op een hoge bergspits. Deze dingen zijn voor hen even gewoon als de geheimzinnige secretaire van vader of de donkere hoek in de tuin: het bos dat altijd naar katten ruikt. Ik zou in mijn kinderjaren geen ogenblik verbaasd zijn geweest wanneer een Indiase prinses mij op een vliegend tapijt had meegevoerd naar een paleis dat door pratende ibissen werd bewoond. Of wanneer een zondvloed mij op een omgekeerde tafel naar het land der reuzen zou hebben gespoeld.

Naarmate het kind ouder wordt, vervagen deze jeugdfantasieën om plaats te maken voor andere, waarin het een nog grotere heldenrol vervult. De jongeling loopt met Messiasgedachten rond, verliest zich in hoogmoed en zelfingenomenheid. Of verdwaalt in onherkenbaar bijgeloof, waarin nochtans iets van zijn kinderfantasieën verweven is. Mijn dromen voerden me tot eindeloze zwerftochten. Steeds zocht ik – soms met wanhoop in het hart, altijd met hartstocht – een tropisch toverland van gouden vrede. Een zwerver zal ik blijven, tot de geest zal uitvliegen als een jonge zwaluw uit zijn nest. En zijn vleugels uit zal slaan om het Goddelijke te bereiken, steeds hoger stijgend, tot hij niet meer terugkeren kan, steeds verder vliegend naar oorden van niet-meer-weten.

 

Spaak: de tweede druk

Op de foto hiernaast zie je de eerste druk van Spaak. Deze imposante stapel werd eind mei afgeleverd bij Uitgeverij kleine Uil. Er is geen boek meer van over. Op. Magazijn leeg. En daarom kwam vorige week de tweede druk. Voor mij een mijlpaal. Hoewel ik van mijn eerste boek Bermspinsels (2007) ook de eerste druk uitverkocht, kwam daar geen herdruk van. De ‘verkoopcurve’ van dat boek vertoonde een fors dalende lijn. Een tweede druk zou waarschijnlijk een volle zolder opleveren.

De eerste 100 exemplaren van de herdruk van Spaak zijn inmiddels alweer bij even zovele lezers beland. Met name de lezingen die ik de laatste tijd over mijn boek geef, zorgen voor deze voorspoedige verkoop. Op 13 oktober sprak ik voor 100 mensen op een lezing van Lentis (de oude GGZ Groningen). Afgelopen maandag vertelde ik ondernemers in Friesland over mijn ervaringen. En op 18 november spreek ik met de Young Professionals van zorgverzekeraar Menzis over het voorkomen van burn-out.

Belangrijker nog dan de verkopen: de reacties op Spaak zijn overweldigend. Veel lezers roemen de openheid en de herkenbaarheid van het verhaal. En de meeste mensen lezen Spaak in één adem uit. Enkele reacties staan hier, bij de reviews op Bol:

http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html#product_judgement

Mocht je Spaak willen kopen, dan verwijs ik je ook graag naar bol.com. Het is wel te krijgen in de vaderlandse boekhandel, maar die winkels doen maar bar weinig voor de minder bekende schrijvers en uitgevers. Zei een lichtgefrustreerde minder bekende schrijver. Mocht je het boek gelezen hebben, ben ik erg benieuwd naar je reactie. Die kun je bijvoorbeeld hieronder achterlaten.

Page 3 of 5

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén