Pierre Carrière

Concept & copy, schrijver

Tag: autobiografisch Page 1 of 2

Uit de brand

Met enige regelmaat krijg ik een reactie van een lezer op mijn boek Spaak. Zo ook vandaag. Een leuke e-mail van een meneer uit Dokkum. Ook hij was in 2003 overvallen door een burn-out. Ook hij was op aanraden van een therapeut gaan fietsen. Ook hij was foto’s gaan maken in de natuur en erbij gaan dichten, zoals ik deed in mijn bundel Bermspinsels. Ook hij gaf dat uit in boekvorm. En ook hij stoeit nog op gezette tijden met de juiste balans  in het leven, creatief,  gedreven en getekend als hij is.

Op zich heel bijzonder, al die overeenkomsten. Maar geloof me, die kom ik vaker tegen in de lezersreacties. Veel lezers herkennen situaties, oplossingen en zichzelf in Spaak. Het bijzondere van dit contact zat dan ook meer in zijn tweede e-mail wat mij betreft. Die stuurde hij als reactie op mijn antwoordmail. Daarin bedankte ik hem voor zijn leuke reactie. Ik verwonderde me over onze overeenkomsten. Complimenteerde hem met de foto’s en gedichten op zijn site. En vroeg hem tot slot hoe hij aan Spaak gekomen was. Dat doe ik altijd. Het zal wel de beroepsdeformatie van een marketing- en communicatieman zijn. Ik ben altijd nieuwsgierig. Ken je Spaak via Twitter? Via een vriend of familielid? Via een krantenartikel of radio-interview? Ben je bij een lezing van mij geweest? Of kwam je het zomaar, toevallig ergens tegen? De mailer van vanochtend viel absoluut in de laatste categorie.

Hij schreef in zijn tweede e-mail dat hij veel leest. En dat hij daarom vaak bij een zaak in Dokkum komt, die boekpartijen opkoopt. Recent had dit bedrijf een stapel boeken ingekocht van een boekenwinkel in de stad Groningen waar brand had gewoed. Tussen de boeken met lichte brand- en blusschade viel zijn oog op het ongeschonden exemplaar van Spaak in het schap. De rest is geschiedenis, die je nu kent. Hoe ironisch; een boek over burn-out dat glansrijk en glanzend een brand overleeft!

Wat het voorval nog grappiger, gekker, of hoe je het maar wil noemen maakt, is het volgende. Gisteren werd ik bij mijn tuinhuis geportretteerd door een fotograaf. Die foto komt bij een artikel dat zaterdag in het Dagblad van het Noorden verschijnt. De fotograaf vertrok na gedane arbeid en vertelde me bij het afscheid dat hij een ‘schrijversdag’ had. Hij moest namelijk door naar zijn volgende klus: enkele schrijvers fotograferen bij de heropening van een afgebrande boekenwinkel in de stad Groningen.

Voor de lezers die vinden dat elk verhaal een moraal nodig heeft, daar komt-ie: de realiteit is vaak niet bij elkaar te bedenken. Zaken die in het echt gebeuren zijn soms onwaarschijnlijker dan de absurdste fantasie. Het leven zelf is niet zelden een grotere  inspiratiebron dan de gedachtenkronkels van mensen. ‘Leeft en verwondert u’ heeft een grote filosoof vast wel eens gezegd.

NB Enige snelle research op internet leerde me dat de betreffende boekhandel in dit verhaal van ‘Hoe een boek dat ingekocht werd voor een Groninger bij een Fries terecht kwam’ de firma Godert Walter is.

Ongehoord!

Op een dag kwam ik weer eens aanfietsen voor een tuinhuisbezoekje en toen klopte er iets niet. Er was er iets. Of eigenlijk, er was niets. Niets meer! De voorheen schitterende border langs mijn tuin was verwoest. Zwart. De border was rigoureus geruimd als een stal vol besmet vee. Hier was nietsontziend gemoord en geplunderd. Weg hortensia’s, varens, hosta’s ooievaarsbek en andere flora. Ze waren vervangen door vijf treurig uitziende struiken, die als kleine eilandjes verspreid lagen in een zee van kleffe en inktzwarte veengrond. Ik was woest!

Met een bak koffie op het terras kwam ik wat bij zinnen en ontleedde ik mijn boosheid. Het was zo’n mooi en natuurlijk perk. Er bloeiden zoveel kleuren. Dat haal je toch niet zomaar weg? Ik hoorde vaak voorbijgangers lovend spreken over mijn border, een voorbeeld van vrij tuinieren. Veel planten, geen centimeter aarde te zien en zo gevarieerd in vegetatie als een beschermd beekdal. Verdomme. En dan het feit dat het onaangekondigd en ongevraagd leeggehaald was. Ongehoord. Natuurlijk, dat perk is eigendom van het park. Het hoort niet bij mijn tuin. Maar ik ben wel verplicht het te onderhouden volgens de parkregels. Dan verwacht je op z’n minst een mailtje, briefje of telefoontje met de mededeling. Zoiets als ‘dinsdagmorgen 7 juni a.s. zal vanaf 9.00 uur des ochtends de border aan de westzijde van het perceel Lijsterbeslaan 9 ontruimd worden, hierbij hopende u voldoende geïnformeerd te hebben, Hoofd Tuincommissie’. Op zijn minst. Want liever had ik nog een toelichting gehad. Met daarin het ‘waarom’ en het ‘hoe nu verder’. Nog liever had ik overleg gehad. Inspraak. ‘Meneer Carrière, u bent geacht de border langs uw tuin te onderhouden, waar gaat uw voorkeur naar uit? We nemen uw ideeën graag mee in onze plannen voor de herinrichting.’

Mijn droevige conclusie was dat ik zelfs op een idyllisch tuinpark, waar louter vrede, vrijheid en blijheid lijken te bestaan, ook gefrustreerd wordt door een autoriteit die zich hufterig gedraagt. Probeer je een vluchtplek te vinden voor de harde realiteit van onze maatschappij, een plaats waar Belastingdienst, Gemeentebestuur, Energieleverancier, Telecomaanbieder en vervelende klanten je niet weten te raken, wordt je gefrustreerd door een stelletje gepensioneerde en zichzelf vervelende vrijwilligers die zich verzameld hebben in de Tuincommissie. Fuck.

Mijn grootste ergernis was echter de consequentie van deze actie. Het toekomstperspectief. Want wie staat zich straks een ongeluk te schoffelen? Precies. Met mijn koffie in de hand liep ik langs de verwoeste strook, zorgvuldig mijn passen tellend. Ik kwam tot vijfendertig. De breedte schatte ik op twee meter. Kortom, zeventig vierkante meter aarde die onkruidvrij gehouden moest worden. Door mij. Als dat niet regelmatig gebeurt, wordt er voor je het weet een brief van de Tuincommissie onder je deur doorgeschoven, weet ik uit ervaring. En de toon in die brieven is op z’n minst gezegd betuttelend, irritant en maakt me licht moordlustig. Maar mijn eigen tuin dan? Die moet ook bijgehouden worden. En het huisje met al z’n achterstallig onderhoud? De boosheid laaide weer op. Zo’n tuinhuisje moet leuk blijven, moet geen dagtaak worden. Ik heb gewoon een drukke baan hoor, een eigen bedrijf zelfs. Eikels!

De halfdode struiken waren een jaar later morsdood. Ze waren niet aangeslagen zoals dat in tuinderstermen heet. Inmiddels stonden ze tot hun enkels in het groen; een mix van gras, brandnetels, distels, zuring en ander gemeen onkruid. Ik heb het hele jaar geen vinger uitgestoken naar het perk. Een jaar lang is de border het meest verwaarloosde stukje Piccardthof geweest. De drie tuinmannen die hier in vaste dienst zijn, groetten me niet of nauwelijks meer. Voorbijgangers bespraken de verwilderde inrichting van de border fluisterend met elkaar. En ik deed net of die zeventig vierkante meters niet bestonden.

Enkele weken geleden stond één van de tuinmannen de border opnieuw om te spitten. De verlepte struiken waren verwijderd. Ze hadden voor deze loodzware klus de oudste, meest broze en wat krom lopende tuinman aangesteld. Het lukte hem echter zonder hernia de ruigte weer om te toveren tot een strakke zwarte strook. Een paar dagen later stonden er 15 nieuwe struikjes in. Kleine Seringen die ongeveer een meter hoog worden en paars bloeien in juli, las ik op een kaartje aan één van de planten. Inmiddels ben ik alweer bij het tuincentrum geweest om het nog steeds overvloedige zwart te bedekken met groen. Vrouwenmantels en Kattenstaarten houden de Seringen nu gezelschap. En ook uit mijn eigen tuin haalde ik overbodige Wilde Aardbeitjes, Saxifraga’s en nog wat bloeiend spul waarvan ik de naam niet weet. Het doel mag duidelijk zijn: het moet weer een kleurenzee van bloemen worden, zonder zwart. Onderhoudsvrij, net als vroeger. Zodat ik me hier weer helemaal kan storten op mijn eigen zaken. Die ik doe wanneer ik er zin in heb. Waar geen druk op zit. Waar niemand over meebeslist of me boze brieven over stuurt. Want mijn tuinhuisje moet een plek blijven waar niks moet en alles mag. En waar het tempo door mijzelf bepaald wordt. Kortom, een plek waar ik alleen met mezelf te maken heb.

Dit stuk is een van de 15 ‘tuinhuisverhaaltjes’ uit mijn boek Spaak, hoofdstuk 14 op precies te zijn. Meer info over Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Spaak: de tweede druk

Op de foto hiernaast zie je de eerste druk van Spaak. Deze imposante stapel werd eind mei afgeleverd bij Uitgeverij kleine Uil. Er is geen boek meer van over. Op. Magazijn leeg. En daarom kwam vorige week de tweede druk. Voor mij een mijlpaal. Hoewel ik van mijn eerste boek Bermspinsels (2007) ook de eerste druk uitverkocht, kwam daar geen herdruk van. De ‘verkoopcurve’ van dat boek vertoonde een fors dalende lijn. Een tweede druk zou waarschijnlijk een volle zolder opleveren.

De eerste 100 exemplaren van de herdruk van Spaak zijn inmiddels alweer bij even zovele lezers beland. Met name de lezingen die ik de laatste tijd over mijn boek geef, zorgen voor deze voorspoedige verkoop. Op 13 oktober sprak ik voor 100 mensen op een lezing van Lentis (de oude GGZ Groningen). Afgelopen maandag vertelde ik ondernemers in Friesland over mijn ervaringen. En op 18 november spreek ik met de Young Professionals van zorgverzekeraar Menzis over het voorkomen van burn-out.

Belangrijker nog dan de verkopen: de reacties op Spaak zijn overweldigend. Veel lezers roemen de openheid en de herkenbaarheid van het verhaal. En de meeste mensen lezen Spaak in één adem uit. Enkele reacties staan hier, bij de reviews op Bol:

http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html#product_judgement

Mocht je Spaak willen kopen, dan verwijs ik je ook graag naar bol.com. Het is wel te krijgen in de vaderlandse boekhandel, maar die winkels doen maar bar weinig voor de minder bekende schrijvers en uitgevers. Zei een lichtgefrustreerde minder bekende schrijver. Mocht je het boek gelezen hebben, ben ik erg benieuwd naar je reactie. Die kun je bijvoorbeeld hieronder achterlaten.

Spaak: fragment 2

Tot de lancering van mijn boek Spaak op 21 mei, zal ik elke week een fragment plaatsen op deze plek. Vorige week selecteerde ik een stukje uit hoofdstuk 1.  Het ging over het dementeren van mijn moeder, een belangrijke oorzaak van mijn burn-out. Dit fragment is het vervolg daarop. Ik beloof volgende week een wat luchtiger, vrolijker stuk te plaatsen. Want dat zit ook in Spaak. Echt! Sorry trouwens voor de treurige opmaak in WordPress; harde returns zorgen direct voor een witregel. Met liggende streepjes heb ik het einde van een alinea aangegeven, je moet wat.

‘Komen jullie mijn moeder ophalen?’ vroeg ik door de telefoon.

‘Nee, het is beter dat u haar zelf brengt,’ antwoordde de vrouw van het verpleeghuis

Ik was even stil, probeerde mij de situatie voor te stellen. Ik zag me al met veel geweld een krijsende en tegenstribbelende moeder in mijn auto proppen.

‘Hoe ziet u dat voor zich? Wat moet ik haar vertellen?’

‘Meestal adviseren we om een smoes te verzinnen.’

‘Mam, we gaan even een stukje rijden,’ vertelde ik enkele dagen later.

‘O wat gezellig, wat een verrassing dat jullie er zijn,’ antwoordde mijn moeder blij.

Zo te zien had ze een goede dag. Op die dagen had ik het idee dat ze nog jaren zelfstandig zou kunnen functioneren in haar eigen huis. Maar dat kon snel veranderen. Binnen een halfuur kon de goede dag overgaan in een slechte. Terwijl ik met haar in de keuken een kopje thee zette met de splinternieuwe en veilige waterkoker, was mijn broer druk bezig in haar slaapkamer. Op verzoek van het verpleeghuis vulde hij een koffer met kleren, toiletspullen en een pyjama.

‘Waar gaan we heen?’ vroeg moeder toen we naar de auto liepen. Haar blije blik van zoëven was veranderd in een argwanende. Haar donkerbruine ogen stonden op streng, haar voorhoofd was gefronst. Ze voelde aan dat er iets niet klopte. Mijn broer en ik straalden wellicht via onze lichaamshouding en oogopslag iets uit wat op onraad duidde.

‘We gaan eens kijken bij een leuk appartement. Daar hebben we het wel vaker met je over gehad,’ probeerde ik.

‘Ik wil hier niet weg, dat weet je toch?’

‘Ja, maar je hoeft er ook niet te gaan wonen, we gaan gewoon even kijken.’

Onderweg naar het verpleeghuis, een ritje van een half uur, kwam ze nog regelmatig terug op het doel van onze reis. Maar op andere momenten was ze het weer helemaal kwijt en leefde ze in het moment. Dan was ze eventjes gelukkig, samen met haar twee zoons onderweg in een auto. Wat wil je nog meer als weduwe?

Het verpleeghuis viel niet in de smaak. Al na een minuut of tien gaf mijn moeder aan dat ze het niks vond. Ongezellig en zelfs een beetje eng. ‘Unheimisch’ noemde ze dergelijke situaties vroeger. Maar dat woord was ze al jaren kwijt.

‘Zullen we gaan jongens?’ vroeg ze op een toon die beslist moest overkomen. Zodat het niet een vraag was maar een mededeling. En toen begon de ellende pas echt. Met behulp van een verpleegster maakten we haar duidelijk dat ze hier zou blijven, dat wij weggingen.

‘Laat me hier niet achter! Neem me mee, ik ben niet gek!’ schreeuwde ze.

Ze begon tegen te stribbelen toen de verpleegster haar liefdevol bij de arm nam.

‘Jongens, toe nou, doe niet zo raar!’ riep ze met pupillen zo groot als knikkers van angst.

Uiteindelijk bleef ze schreeuwend, huilend en razend achter in de houdgreep van de verpleegster, die inmiddels hulp had gekregen van een verpleger. Wat ze allemaal riep weet ik niet meer. Alleen de blik in haar ogen bezorgt me nu nog rillingen. Laf wuivend piepten mijn broer en ik ertussenuit. Eenmaal buiten liepen we zwijgend naar de auto. Daar huilden we met onze handen op het autodak, en ons hoofd naar beneden, de ogen uit onze kop. Wat hadden we onze moeder verraden. Wat hadden we haar een loer gedraaid.

Page 1 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén