Pierre Carrière

Concept & copy, schrijver

Categorie: Boeken Page 2 of 5

Dode hond

Midden op ons gazon stond een hoge boom. Een vreemd ding. Op de basisschool leer je als kind dat een boom één stam heeft. Bovendien wordt dat ook bevestigd in park en bos. Deze boom had echter zeven stammen. Als bij een uit de kluiten gewassen boeket bloemen schoten de zeven stammen meters de lucht in. De vorige eigenaar van ons huisje was gek op de boom. Het was zijn parasol. Verkoos zijn vrouw de zon op het terras, hij zat liever in de schaduw met een koud pilsje.

Als nieuwe bewoners hadden wij het al snel gehad met de boom. Hij ontnam veel licht en lucht. Het enige wat hij bracht waren diverse mossoorten in ons gras. Dus ging de zaag erin. De stammen leverden haardhout op voor minstens een half stookseizoen. De dunne zijtakken vormden een stevige basis voor een kreupelhoutwal rond ons perceel. Fijn voor egels, winterkoninkjes en wezels, maar vooral voor onze privacy. Onze tuin moet een vesting worden. Ommuurd door een organische wal van bomen, struiken en kreupelhout. Onneembaar voor de blikken van nieuwsgierige passanten. In ons tuinhuis moesten rust en natuur de boventoon voeren. Mensen zien we al genoeg in de stad.

Terug naar de boom. Of eigenlijk naar de stronk die overbleef na een oneerlijk gevecht; de zaag maakte zijn favorietenrol meer dan waar. De stronk stond in een ovaal perkje van zo’n twee meter lang en een meter breed, omring door flinke zwerfkeien. Ooit lag hier een vijvertje wisten we uit de overlevering. Enkele jaren geleden gedempt met keien, zand en tot slot het horloge van de schoonvader van de toenmalige eigenaar. Het perkje bevatte nauwelijks planten. Onder een parasol groeit nu eenmaal weinig. We besloten het om te spitten en maakten een herbeplantingsplan. Een heidetuintje moest het worden. Hei is wintergroen, makkelijk in onderhoud en bovendien goed bestand tegen een verdwaalde voetbal.

Het omspitten van het kleverige, gitzwarte veen duurde langer dan het neerhalen van de boom. En bleek de dagen erna een flinke aanslag op de arm- en rugspieren. De heideplantjes werden gekocht en aangevuld met twee azalea’s, want die bloeien zo mooi. In het centrum van het perkje, als ode aan de boom, plantten we een klein treurwilgje van nog geen meter hoog. Als finishing touch werd de nog zichtbare aarde bedekt met houtsnippers aangezien onkruid wieden, zelfs na enkele jaren tuinhuisbezit, nog steeds geen hobby van ons is.

Apetrots op het eindresultaat, genoten we de eerste dagen van het perkje dat toch alles weg had van een miniatuur heidetuintje. Totdat ik op een mooie zomeravond op het terras zat met een vriend van me. Een creatieve fotograaf met een – zoals je van een dergelijke kunstenaar mag verwachten – sterk beeldend en associatief vermogen. Met een oploskoffie in de linker- en een sigaretje in de rechterhand vroeg hij zich hardop af  ‘of wij daar midden op het gazon soms onze dode herdershond hadden begraven’. Ik was even stil en keek naar het perkje. Met slechts een heel klein beetje fantasie is er al een graf in te zien. Vooral omdat het ook nog een beetje bol loopt, een heuveltje is op het gras. En door de recente aanleg was het net of het hondengraf dagelijks met veel liefde werd verzorgd.

We hebben er die avond hard om gelachen. Maar toch is op dat moment iets kapot gegaan. Ons heidetuintje zal niet snel meer loskomen van het morbide stempel dat er die avond op is gezet. Het perkje zal altijd een vleugje hondengraf houden.

Dit stuk is een van de 14 tuinhuisverhaaltjes uit mijn boek ‘Spaak, overwinnen van een burn-out’, om precies te zijn hoofdstuk 22. Meer info over Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Hoogtepunt

Het afsluiten van de boel hangt onlosmakelijk samen met een dagje tuinhuis. Zoals afscheid hoort bij een enerverende ontmoeting, zoals een punt achter een zin. Het afsluiten van het tuinhuis maakt de dag compleet en maakt het voorgaande tot wat het is. Bovendien, als je alles open laat staan, worden je spullen gejat. Ook een belangrijk puntje.

Het afsluiten is een tijdrovende klus. Alles wat gedurende de dag uit het huisje en de twee schuren is gesleept, moet weer naar binnen. Alle spullen op hun vaste plek omdat ze daar nu eenmaal horen volgens mijn oudste zoon Justin. Hij gaat dan ook voorop in de strijd tegen chaos. De badmintonrackets, jeu de boules-set, frisbees en voetbal in de rieten mand. De rieten mand op de derde plank van de stellage in de Grote Schuur, naast de jerrycan benzine voor de motormaaier. Het tuingereedschap in de Kleine Schuur. Zagen en snoeischaren graag op hun eigen spijker aan de wand. Parasol in het hoekje naast de servieskast in de woonkamer. Rieten stoeltjes weer naast de kachel en bij het raam. Vaat op het aanrecht en afval in het rode prullenbakje in de keuken. Dan zijn we al een heel eind.

Bij mooi weer is ons achterterras een zwemparadijs. Centraal staat een rond zwembad met een doorsnee van drie meter. Die vullen we niet tot de rand want dan verzuipt onze jongste. Naast deze zwemtrots van het tuinhuis staat een klein pierenbadje. Dit wordt gebruikt om even de voetjes in af te spoelen alvorens het grote bad te betreden. In de periode voor het kleine badje, lagen we in het grote bad namelijk binnen de kortste keren in een troebele groentesoep van zanderig water met een vlies van blaadjes, takjes, sprietjes en spartelende insecten. En daar wordt je toch wat treurig van. In en om het tuinhuis proberen we een mediterrane vakantiesfeer te creëren. Het ideaalbeeld van geluk, een soort gratis prozac. Daar hoort helder water in een helblauw zwembad bij. Kijk maar in de reisgidsen.

Bij het opruimen zijn ook de regels voor het achterterras duidelijk en strak. Het grote bad blijft staan, het kleintje gaat leeg. Een maatregel die we vorig jaar ingesteld hebben. Het ondiepe water was namelijk een kweekvijver voor muggenlarven. Een paar dagen later prikten die ons, inmiddels gevleugeld, lek op het terras. Het kleine badje heeft zijn eigen plek in de ongebruikte douchecabine in de Grote Schuur. Ik parkeer hem altijd op zijn zijkant tegen de coniferenhaag die het zwemparadijs omzoomt. We doen trouwens net of dat cipressen zijn en voilà, we zijn gelukkig in Toscane. Meestal sleept Justin het badje toch onder de douche. Sinds ik hem ervan overtuigd heb dat niemand een badje zal stelen van nog geen 3 euro bij de drogist, bovendien met lekke tweede ring, ziet hij het nog wel eens door de vingers. De tuinslang waarmee de baden gevuld worden, wordt op zijn houder aan de schutting gehangen. En het aquariumschepnetje, waarmee we de eerdergenoemde rotzooi uit het bad vissen en regelmatig insectenlevens redden, heeft een eigen spijker in de Kleine Schuur. Dan kunnen we de aan de laatste fase van het afsluiten beginnen.

Tot slot moeten immers alle deuren van de opstallen op ons landgoed vergrendeld worden. En dat zijn toch vijf sleutelhandelingen, die niet allen even soepel verlopen. Ook sloten slijten. Maar voordat alles op slot gaat, begint Justin aan zijn favoriete klus: het dichtdraaien van de negen jaloezieën. Als we ’s ochtends naar het huisje fietsen, heeft hij daar al zin in heeft ie me ooit toevertrouwd. Wanneer ik hem druk zie opruimen aan het einde van de middag, heb ik de indruk dat het afsluiten sowieso zijn hoogtepunt van de dag is. Soms begint hij twee uur voordat we weg gaan al te vragen wanneer we gaan afsluiten. Het bevestigt de stelling van een oud-collega van me, een fervent Vrije School-, Jenaplan- en Montessorihater: ‘Jonge kinderen hebben recht op orde en regelmaat. Want daar hebben ze nu eenmaal behoefte aan.’

Bovenstaand verhaaltje is een van de ‘tuinhuisverhaaltjes’ uit mijn boek Spaak, overwinnen van een burn-out. Hoofdstuk 10 om precies te zijn. Meer info over Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Ongehoord!

Op een dag kwam ik weer eens aanfietsen voor een tuinhuisbezoekje en toen klopte er iets niet. Er was er iets. Of eigenlijk, er was niets. Niets meer! De voorheen schitterende border langs mijn tuin was verwoest. Zwart. De border was rigoureus geruimd als een stal vol besmet vee. Hier was nietsontziend gemoord en geplunderd. Weg hortensia’s, varens, hosta’s ooievaarsbek en andere flora. Ze waren vervangen door vijf treurig uitziende struiken, die als kleine eilandjes verspreid lagen in een zee van kleffe en inktzwarte veengrond. Ik was woest!

Met een bak koffie op het terras kwam ik wat bij zinnen en ontleedde ik mijn boosheid. Het was zo’n mooi en natuurlijk perk. Er bloeiden zoveel kleuren. Dat haal je toch niet zomaar weg? Ik hoorde vaak voorbijgangers lovend spreken over mijn border, een voorbeeld van vrij tuinieren. Veel planten, geen centimeter aarde te zien en zo gevarieerd in vegetatie als een beschermd beekdal. Verdomme. En dan het feit dat het onaangekondigd en ongevraagd leeggehaald was. Ongehoord. Natuurlijk, dat perk is eigendom van het park. Het hoort niet bij mijn tuin. Maar ik ben wel verplicht het te onderhouden volgens de parkregels. Dan verwacht je op z’n minst een mailtje, briefje of telefoontje met de mededeling. Zoiets als ‘dinsdagmorgen 7 juni a.s. zal vanaf 9.00 uur des ochtends de border aan de westzijde van het perceel Lijsterbeslaan 9 ontruimd worden, hierbij hopende u voldoende geïnformeerd te hebben, Hoofd Tuincommissie’. Op zijn minst. Want liever had ik nog een toelichting gehad. Met daarin het ‘waarom’ en het ‘hoe nu verder’. Nog liever had ik overleg gehad. Inspraak. ‘Meneer Carrière, u bent geacht de border langs uw tuin te onderhouden, waar gaat uw voorkeur naar uit? We nemen uw ideeën graag mee in onze plannen voor de herinrichting.’

Mijn droevige conclusie was dat ik zelfs op een idyllisch tuinpark, waar louter vrede, vrijheid en blijheid lijken te bestaan, ook gefrustreerd wordt door een autoriteit die zich hufterig gedraagt. Probeer je een vluchtplek te vinden voor de harde realiteit van onze maatschappij, een plaats waar Belastingdienst, Gemeentebestuur, Energieleverancier, Telecomaanbieder en vervelende klanten je niet weten te raken, wordt je gefrustreerd door een stelletje gepensioneerde en zichzelf vervelende vrijwilligers die zich verzameld hebben in de Tuincommissie. Fuck.

Mijn grootste ergernis was echter de consequentie van deze actie. Het toekomstperspectief. Want wie staat zich straks een ongeluk te schoffelen? Precies. Met mijn koffie in de hand liep ik langs de verwoeste strook, zorgvuldig mijn passen tellend. Ik kwam tot vijfendertig. De breedte schatte ik op twee meter. Kortom, zeventig vierkante meter aarde die onkruidvrij gehouden moest worden. Door mij. Als dat niet regelmatig gebeurt, wordt er voor je het weet een brief van de Tuincommissie onder je deur doorgeschoven, weet ik uit ervaring. En de toon in die brieven is op z’n minst gezegd betuttelend, irritant en maakt me licht moordlustig. Maar mijn eigen tuin dan? Die moet ook bijgehouden worden. En het huisje met al z’n achterstallig onderhoud? De boosheid laaide weer op. Zo’n tuinhuisje moet leuk blijven, moet geen dagtaak worden. Ik heb gewoon een drukke baan hoor, een eigen bedrijf zelfs. Eikels!

De halfdode struiken waren een jaar later morsdood. Ze waren niet aangeslagen zoals dat in tuinderstermen heet. Inmiddels stonden ze tot hun enkels in het groen; een mix van gras, brandnetels, distels, zuring en ander gemeen onkruid. Ik heb het hele jaar geen vinger uitgestoken naar het perk. Een jaar lang is de border het meest verwaarloosde stukje Piccardthof geweest. De drie tuinmannen die hier in vaste dienst zijn, groetten me niet of nauwelijks meer. Voorbijgangers bespraken de verwilderde inrichting van de border fluisterend met elkaar. En ik deed net of die zeventig vierkante meters niet bestonden.

Enkele weken geleden stond één van de tuinmannen de border opnieuw om te spitten. De verlepte struiken waren verwijderd. Ze hadden voor deze loodzware klus de oudste, meest broze en wat krom lopende tuinman aangesteld. Het lukte hem echter zonder hernia de ruigte weer om te toveren tot een strakke zwarte strook. Een paar dagen later stonden er 15 nieuwe struikjes in. Kleine Seringen die ongeveer een meter hoog worden en paars bloeien in juli, las ik op een kaartje aan één van de planten. Inmiddels ben ik alweer bij het tuincentrum geweest om het nog steeds overvloedige zwart te bedekken met groen. Vrouwenmantels en Kattenstaarten houden de Seringen nu gezelschap. En ook uit mijn eigen tuin haalde ik overbodige Wilde Aardbeitjes, Saxifraga’s en nog wat bloeiend spul waarvan ik de naam niet weet. Het doel mag duidelijk zijn: het moet weer een kleurenzee van bloemen worden, zonder zwart. Onderhoudsvrij, net als vroeger. Zodat ik me hier weer helemaal kan storten op mijn eigen zaken. Die ik doe wanneer ik er zin in heb. Waar geen druk op zit. Waar niemand over meebeslist of me boze brieven over stuurt. Want mijn tuinhuisje moet een plek blijven waar niks moet en alles mag. En waar het tempo door mijzelf bepaald wordt. Kortom, een plek waar ik alleen met mezelf te maken heb.

Dit stuk is een van de 15 ‘tuinhuisverhaaltjes’ uit mijn boek Spaak, hoofdstuk 14 op precies te zijn. Meer info over Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Parket

Het tuinhuis was na vier jaar bijna af. Tenminste, van binnen. Het mag dan even geduurd hebben, maar echt elke vierkante centimeter is dan ook door ons bewerkt. Het witte plafond is bespannen met blauw doek. De blankhouten keukenkastjes zijn geel geverfd, evenals alle wanden. De meubels van de vorige eigenaar zijn vervangen door exemplaren die meer voldoen aan onze eigen smaak. De kozijnen en deuren zijn lichtblauw geworden en de slaapkamer is behangen met zo’n twintig landkaarten. De weg in Los Angeles, Limburg, Frankrijk, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Ierland of Utah vind je rond onze twijfelaar. Het van oorsprong witte interieur met bruine accenten is een fleurige boel geworden. Alleen die vloer. We hebben het deprimerende donkerbruine plastic zeil met parketmotief er direct uitgehaald. De houten onderplaten hebben de afgelopen jaren geen nieuwe bedekking gekregen. Totdat ik op internet een koopje tegenkwam: 27 vierkante meter beukenparket voor honderd euro. Op vijftien kilometer van mijn huis.

‘Wat heb jij mooi haar’, zegt het meisje van een jaar of tien tegen mijn vriend H. Hij heeft inderdaad mooie bruine krullen en is mee naar Zuidlaren omdat hij zo’n handig busje heeft voor parkettransport. Maar bovenal omdat het hem gezellig leek. Het meisje zelf heeft trouwens ook mooi haar; lang en blond. Ze voetbalt met haar iets oudere broertje op straat voor huisnummer 12, ons reisdoel van die avond.

‘Komen jullie de vloer halen?’, vraagt het broertje. We antwoorden bevestigend en lopen met de kinderen de oprit van het jaren negentig-huis op. Bij het binnenrijden van de wijk was ons opgevallen dat er zoveel busjes en aanhangers met bouwmateriaal geparkeerd stonden. Het leek wel of elke bewoner bezig was met het betegelen van zijn tuin, het aanbouwen van een dakkapel of het verlengen van de woonkamer.

Het meisje kijkt vertederd op naar H., waar ze inmiddels dicht naast is gaan lopen. We maken kennis met hun ouders en even later geven we met z’n zessen bundeltjes planken aan elkaar door. Drie man in de woonkamer, drie aan de andere kant van het openstaande raam waar H. zijn busje heeft geparkeerd.

‘Mijn zus is verliefd op jouw vriend’, zegt het jongetje zacht tegen mij als ik hem een stapel hout aangeef. Hij krijgt direct op zijn kop van z’n moeder, die vindt dat hij niet van die rare dingen moet zeggen. Wanneer al het parket in de auto zit, wordt er koffie gezet. Ik praat wat met de ouders en het drukke broertje, terwijl H. is ingegaan op de uitnodiging van het meisje. Zij voetballen samen op straat.

Als de koffie klaar is, schuift iedereen aan de lange eettafel in de achterkamer. Het meisje en haar broertje zitten als eerste. Wanneer H. aan het hoofd van de tafel gaat zitten, schuift het meisje direct een stoel op. Nu ze naast hem zit, kan ze hem weer goed bekijken. Wat ook gebeurt, zonder gêne.

‘Nu heb ik drie vaders’, zegt ze. En ze wijst naar H., haar vader en naar mij. H. en ik lachen en de vader doet een poging mee te lachen. Maar die wat verkrampte lach valt absoluut in de categorie ‘boer met kiespijn’. Direct na de koffie vertrekken we weer richting Groningen. De kinderen lopen uitbundig zwaaiend een stukje mee met onze afgeladen auto. Het meisje houdt dat het langste vol.

‘Daar krijgen die ouders nog heel wat mee te stellen’, zijn H en ik het eens. Onderweg praten we over ontmoetingen met onbekenden, zomaar ergens. Die maken het leven zo leuk en verrassend. Ik vertel over die vrouw die ik laatst tegenkwam in mijn stamkroeg. Zij had net als ik een burn-out gehad. Niet zo heel bijzonder, want het is ziekte nummer één onder de Nederlandse beroepsbevolking. Wat echter wel opvallend was, is dat zij net als ik een ring voor zichzelf had gekocht ter herinnering aan die heftige periode. Als een cadeautje voor jezelf, een beloning voor het feit dat je er doorheen bent gekomen. En ook een dagelijks zichtbare en tastbare herinnering aan de lessen die je geleerd hebt in die jaren. Of je die nooit meer wilt vergeten. Zij geeft die ring zelfs elke dag een kusje vertelde ze me. Er zijn grenzen natuurlijk.

Eenmaal bij het tuinhuis laden we het hout uit. We eindigen met een bakkie koffie op het terras. Het is inmiddels een uur of negen, de zon is net achter de bomen verdwenen. Er heerst een serene rust in de tuin en het ruikt naar avond. Ik geef H. een vuurtje en kijk hem glimlachend aan. ‘Wat heb je toch mooi haar’, besluit ik.

Dit verhaal is hoofdstuk 26 uit mijn boek Spaak: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/spaak/1001004007801576/index.html

Page 2 of 5

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén