Pierre Carrière

Schrijver, copywriter en columnist

Pagina 2 of 19

De invasie van de pootlozen

gierzwaluwHet klinkt als een slechte horrorfilm, maar elk jaar wordt de Groningse Schildersbuurt geconfronteerd met een invasie van honderden pootlozen. Luid schreeuwend dringen ze massaal via gaten en kieren de huizen van onze buurt binnen. Ik heb het over de gierzwaluwen. Zwarte, sikkelvormige silhouetten, die vanaf begin mei door het zwerk boven onze buurt scheren. Soms wel met 120 kilometer per uur. Apodiformes is de Latijnse naam van deze vogelfamilie: de pootlozen. Ze kunnen niet lopen; hebben slechts klauwtjes waarmee ze als vleermuizen aan gebouwen of takken kunnen hangen. Maar zelfs dat doen ze zelden. Hun hele leven speelt zich af in de lucht. Daar zie je ze jagen, eten, paren, sjansen, dansen en hoor je ze oorverdovend gieren. Ze slapen zelfs vliegend!

Meer lezen

Tuinindestad

IMG_3597In een rafelrand van onze buurt ligt Tuinindestad. Verstopt tussen de Friesestraatweg, het Reitdiep en de spoorlijn naar Roodeschool. Pal tegenover de oude veevoerfabriek van ACECO. Een gebouw dat als een rotte kies steeds verder afbrokkelt, met hulp van de natuurkrachten. De menselijke sloopwerkzaamheden zijn jaren geleden al plotseling gestopt. Inmiddels lijkt de ruïne me een ideaal onderkomen voor zeldzame vleermuizen en dus volkomen veilig voor de sloopkogel.

Ooit werkte ik bij ACECO. Een week lang. Het was een schoolproject voor het vak Nederlands: werken en daar dan een verslag over schrijven. Het zal in 1983 of ’84 zijn geweest; ik was een jaar of 16. Samen met een klasgenoot en tevens vriend – inmiddels een succesvol architect die de recente aardbeving in zijn woonplaats Kathmandu gelukkig overleefd heeft – zeulde ik op de verdiepingen van het pand met zakken van 25 kilo, vol ingrediënten. Volgens een recept dat op een papiertje aan een pilaar hing, mikten we deze leeg in een grote opening in de vloer. Vier zakken van dit, twee zakken van dat, nog een zak zus, drie zakken zo en klaar. Zat alles erin, dan ging er een knop om en werd de boel gemengd. Op de begane grond stroomde het voer in grote bakken, bestemd voor koeien, varkens of kippen. Hoogtepunten in die week waren trouwens de ritjes op de heftrucks. Vooral op het buitenterrein. Daar konden we vol gas geven zonder het risico te lopen dat we kostbare zakken halffabricaat lekstaken.

In die periode kwam ik trouwens al op de plek waar Tuinindestad is gevestigd. Met mijn vader. Orchideeën kopen, voor in de vensterbanken van ons huis in Roden. In de vochtige, benauwde kassen bootste de kweker het klimaat van de Tropen na. Daar kwam hij ook vaak. Achter de toonbank hingen foto’s van hem, trots poserend met indrukwekkend grote en felgekleurde bloemkelken in Mexico, Costa Rica en weet ik waar hij ze allemaal vandaan haalde. De kassen staan er nog steeds. De kweker is echter vervangen door Frans Kerver, zijn vrouw en enkele vrijwilligers. In een paar jaar tijd hebben ze van het terrein een soort vrijstaat gemaakt, waar je heerlijk kan struinen tussen de plantjes, stekjes en loslopende kippen. Niks hoeft en alles mag. Tenminste, die sfeer hangt er. En hoewel het een plek is die ontmoetingen stimuleert – onder ander met hun FreeCafé, allerlei activiteiten en een ongedwongen sfeer – heb ik meer contact met Frans via Twitter dan in real life. Zo verbrokkelt persoonlijk contact net zo ongemerkt maar definitief als de oude veevoerfabriek.

Vorig jaar sprak ik Frans voor het laatst. Geheel volgens de maatschappelijke ontwikkelingen waar Frans in gelooft – zo wordt hij binnenkort de eerste Nederlander met een Basisinkomen – pleegden we ruilhandel. Ik gaf hem mijn boek Spaak, hij overhandigde mij drie kilo pootaardappeltjes voor in mijn moestuin. Hij twitterde in de weken erna zijn mening over mijn boek, ik hield hem digitaal op de hoogte van de aardappeloogst. Mijn boek staat inmiddels te leen in de bibliotheek van Tuinindestad. Gratis natuurlijk.
‘De wereld verandert’ is één van de meest zichtbare clichés die er bestaan. Oude glorie vergaat, nieuwe ontstaat op de resten ervan. Toch wordt het de hoogste tijd voor een ouderwets gezellig gesprek met Frans. En niet alleen omdat mijn bestelling van Nieuw-Zeelandse spinazie inmiddels wel binnen zal zijn.

Deze column verscheen in juni 2015 in de wijkkrant van de Schildersbuurt Groningen.

Otto Eerelman(straat)

paardenkeuringEen paar jaar geleden haalde ik mijn jongste zoon op van muziekles. Hij was nog zo klein dat hij op een stoeltje voor op mijn fiets zat. Zijn muziekles heette ‘Ontdek je instrument’. Inmiddels scheurt hij op zijn eigen fiets naar elektrisch gitaarles. Al ontdekkende leert men, of andersom. We reden die middag langs de Grote Markt en ineens kwam er een idee in me op. Dit was hét moment voor dat bezoekje dat al zo lang op een to-do-lijst stond. In mijn geheugen. Ik zette de fiets op slot tegen het stadhuis en we bestegen de trappen. Eenmaal op het bordes deden we zwaaiend even de voetballers van FC Groningen na. Die hadden een paar weken daarvoor Europees voetbal behaald. Ze zongen toen voor het propvolle marktplein dat ze op de trekker naar Madrid zouden gaan. Volgens mijn herinnering strandden ze dat jaar ergens in Oost-Europa. Maar goed, ik opende de zware deur van het stadhuis en daar hing-ie: ‘De paardenkeuring’ van Otto Eerelman. Een fantastisch schilderij van imposante afmetingen, dat voluit eigenlijk ‘De paardenkeurig op de Grote Markt op de 28ste augustus’ heet. Eerelman schilderde het op tachtigjarige leeftijd in 1920, in opdracht van de gemeente Groningen.

Op ‘De paardenkeuring’ staan natuurlijk paarden. Otto Eerelman – geboren, getogen en overleden in Groningen – stond internationaal bekend als begenadigd dierenschilder. De hoofdrol in het schilderij is voor een oogverblindend wit paard. Wikipedia leert dat het gaat om Tabor II; een Russische schimmelhengst. Het dier wordt met enige moeite in toom gehouden door een rennende man. Dat blijkt dan weer pikeur Carl Heinrich Baars te zijn, die tijdens het schilderen echter al 24 jaar dood was. Een klein hondje naast het paard lijkt de man te helpen, luid blaffend naar de hengst.

Links vooraan slaat een Colly het tafereel gade. De Lassie-hond is keurig aangelijnd. De hondenriem eindigt in de hand van een meisje in een wit zomerjurkje. Volgens Wikipedia is dat Thérésia Angélica de Marees van Swinderen. Met zo’n naam zaten je ouders in die tijd natuurlijk goed in de slappe was. Dat blijkt ook wel: ze was de dochter van de eigenaar van Tabor II. De hond en het meisje worden omgeven door vele prominente Groningers, bekend uit de paardensport. Sommigen waren dus al overleden toen Otto ze portretteerde. De Noordwand van de Grote Markt is op het schilderij overigens nog vooroorlogs mooi.

Napratend over wat we gezien hadden, fietsten zoon en ik terug naar de Schildersbuurt. Op de Kraneweg sloegen we rechtsaf, de Otto Eerelmanstraat in. Een kort, wat anoniem straatje in onze wijk. Vraag een buurtbewoner naar deze straat en de kans is groot dat je bot vangt. Het huizenblok van Mulock Houwer, dat de straat woningtechnisch gezien domineert, is prachtig van architectuur. Maar nu de kozijnen in verschillende tinten wit zijn geschilderd – en studenten oude lappen en kranten als gordijnen gebruiken – heeft het zijn glans verloren. Hoogtepunt in de straat is wat mij betreft het blauwe, metalen hek aan de zijkant van de oude zeevaartschool. Een ontwerp uit de tijd dat ‘De paardenkeuring’ werd geschilderd, met verfijnde details en de overblijfselen van een gaslantaarn.

Halverwege de Otto Eerelmanstraat sloegen we linksaf ‘onze’ Wassenberghstraat in. Ik weet niet of ik het destijds dacht, maar nu wel: een man die zulke prachtige schilderijen maakte, verdient eigenlijk een mooiere straat. Langer, breder, grootser. En vooral beter onderhouden.

Deze column verscheen eerder in de wijkkrant van de Groningse Schildersbuurt, in maart 2015.

R.I.P. Westerkerk

Exterieur_WESTGEVEL_-_Groningen_-_20279291_-_RCEOp het Zuiderdiep rijden stadsbussen waar ooit binnenschepen voeren. Ook op het Damsterdiep is het water vervangen door asfalt. Aan de rand van onze Schildersbuurt is het niet anders. Op het Hoendiep wordt de hele dag door geparkeerd in plaats van aangemeerd. En op de Westerhaven vissen de mensen alleen nog maar naar koopjes. Het is typisch Nederlands. Het is onze handelsgeest. Is het economisch interessant om al die prachtige waterpartijen dicht te plempen? Dan doen we dat. Rigoureus. Op naar meer welvaart.

Nog zo’n oud-Hollandsche moneymaker is projectontwikkeling. In de stad betekent dat regelmatig: een mooi oud gebouw platgooien en er iets nieuws neerzetten met meer vierkante meters. Meer rendement. Architectonisch niet al te ingewikkeld, want dat kost alleen maar geld. Aan de Kraneweg voltrok zich begin jaren 90 zo’n drama. Daar stond ooit de Westerkerk. Een prachtig kerkgebouw uit 1906, met aangebouwde kosterswoning. Ontworpen door de Amsterdamse architect Tjeerd Kuipers. Geen kleine jongen; hij werkte bij het bureau van de beroemde architect en stedenbouwkundige Berlage. De Groningse Westerkerk had dan ook Berlagiaanse kenmerken en vele Jugendstildetails. Een van de parels van de buurt. In 1994 ging de kerk onder luid protest plat en verscheen er een gebouw dat wat mij betreft het lelijkste appartementencomplex van onze Schildersbuurt genoemd mag worden. Met afstand: De Cranedwinger. Boven op dit gedrocht staat de oude kerkhaan te glimmen. Als herinnering aan de Westerkerk. Bedoeld als knipoog. Voor mij is het een doorn in het oog. Hij doet me voortdurend herinneren aan deze stedenbouwkundige ramp. Dit kan alleen maar in het zakelijke Nederland, dat zo steeds lelijker wordt. Geen wonder dat wij in de zomer massaal richting mediterrane landen als Frankrijk en Italië vertrekken. Natuurlijk voor het mooie weer, maar ook om ons te omringen met eeuwenoude, architectonische schoonheid. Daar worden we namelijk vrolijk van. Gelukkig misschien wel.

Inmiddels hebben creatieve handelsgeesten iets nieuws bedacht in onze buurt. Optoppen. Ik kwam het woord recent tegen op de vele posters achter de ramen in de buurt. Ik had er nog nooit van gehoord. Wikipedia bracht uitkomst: een opbouw voor bestaande panden, vaak bedoeld om relatief goedkoop extra ruimte te creëren. Het is een nieuwe truc van huisjesmelkers om nog meer studentenkamers te realiseren in onze buurt. Zo wordt de 15%-norm – die de Gemeente heeft opgelegd om studentenbewoning enigszins binnen de perken te houden – slim ontweken. Dat het aanzicht van oude panden en passant wordt vernacheld, zal de projectontwikkelaars worst zijn. Alles voor de huuropbrengst.

Het is hoog tijd dat de beleidsmakers in Nederland en Groningen hun economieboekjes van de middelbare school weer eens van zolder halen. En dat ze daarin op zoek gaan naar het verschil tussen welvaart en welzijn. Maar dan komt het lastigste stuk: nadenken. Nadenken over de vraag waar de grootse groep mensen anno 2014 gelukkig van wordt. Laat ik een beetje helpen: ik had wel een schrijfstudio in de Westerkerk willen hebben. En dan na een productieve werkdag even een biertje drinken op een terrasje aan het water van de Westerhaven.

Deze column verscheen in de wijkkrant van de Groningse Schildersbuurt in december 2014.

Pagina 2 of 19

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén